Politieke Economie – Bas Jacobs

Zijn belastingen op consumptie minder verstorend dan belastingen op arbeidsinkomen? (zeer wonkish)

Die vraag wordt door een aantal economen met ja beantwoord, zo bleek uit reacties op Twitter naar aanleiding van mijn blog van gister. Mathijs Bouman, Pieter Gautier, Bas van der Klaauw en Koen Caminada hebben redenen om te denken dat het beter is om consumptie te belasten dan arbeidsinkomen. Mathijs ziet een mogelijkheid tot fiscalisering van de AOW via de achterdeur. Pieter verwijst naar initiële vermogens (zoals erfenissen) en suggereert dat mensen met een sterker stijgend inkomensprofiel meer btw betalen. Bas van der Klaauw betoogt dat een btw-ib verschuiving de facto leidt tot een fiscale devaluatie. Koen Caminada verwijst naar een studie die laat zien dat consumptiebelastingen schadelijker zijn voor de groei dan belastingen op inkomen. Daarnaast vroeg Martin Visser zich eigenlijk af waarom belastingen op consumptie minder schadelijk zouden kunnen zijn dan op arbeidsinkomen, zoals ook Sijbren Cnossen eerder heeft beweerd in De Telegraaf.

De stelling in mijn blog van gister is dat het niet veel uitmaakt of we arbeidsinkomen of consumptie belasten. In deze blog laat ik dat formeel zien. Daarnaast laat ik zien onder welke omstandigheden dit niet zo is. Ik zal ook betogen dat het goed denkbaar is dat de btw veel verstorender is dan de belasting op arbeidsinkomen.

Spoileralert: deze blog is door gebruik van wiskunde minder geschikt voor minder ingevoerde lezers.

Om mijn claims te onderbouwen analyseer ik een eenvoudig model. Mensen consumeren goederen c. Ik maak geen onderscheid tussen verschillende goederen. Het btw-tarief is \tau _{c}. Daarnaast bieden ze arbeid l aan. Het inkomen uit werk is gelijk aan wl, waar w de (reële) loonvoet is per gewerkt uur. Arbeidsinkomen wordt belast met tarief \tau _{l}. De prijs van het consumptiegoed is genormaliseerd op 1 zonder verlies aan algemeenheid. De budgetrestrictie van het huishouden is dan gelijk aan:

(1+\tau _{c})c=(1-\tau _{l})wl.

Hier staat dat alle netto arbeidsinkomen wordt uitgegeven aan consumptie. Uit deze budgetrestrictie volgt direct een belangrijke equivalentie: een (uniforme) consumptiebelasting is hetzelfde als een proportionele belasting op arbeidsinkomen. Dit is de hoofdstelling van mijn eerdere blog.

Dit betekent ook dat belastingen op consumptie in beginsel niet minder verstorend zijn dan belastingen op arbeidsinkomen. Een belasting is minder verstorend wanneer de private relatieve opbrengst van een uur werk in termen van consumptie \frac{(1-\tau _{l})w}{1+\tau _{c}}, het netto reële loon, dichter ligt bij de maatschappelijke relatieve prijs van vrije tijd in termen van consumptie w, het bruto reële loon. De prikkel om te werken wordt verlaagd door zowel het tarief op arbeidsinkomen als op de btw. De economische verstoringen zijn het laagst als het effectieve marginale tarief op arbeid 1-\frac{1-\tau _{l}}{1+\tau _{c}}=\frac{\tau _{l}+\tau _{c}}{1+\tau _{c}} zo laag mogelijk is. De prikkel om te werken verandert niet als mensen minder arbeidsbelasting \tau _{l} betalen, gefinancierd door een verhoging van de btw \tau _{c}, zolang belastingopbrengst hetzelfde blijft.

Toch denkt een aantal economen wel dat de btw minder verstorend is dan de belasting op arbeid. Waarom is dat?

Ten eerste, het is natuurlijk niet noodzakelijk zo dat alle inkomen gelijk is aan arbeidsinkomen alleen. Stel dat mensen niet-arbeidsinkomen b hebben. Dit kan bijvoorbeeld een (pensioen)uitkering zijn of vermogen. Dit gaf ik ook al aan in mijn blog. Indien niet-arbeidsinkomen helemaal niet wordt belast, dan vervalt de equivalentie tussen belastingen op consumptie en inkomen:

(1+\tau _{c})c=(1-\tau _{l})wl+b.

Alle inkomen — arbeidsinkomen en niet-arbeidsinkomen — wordt besteed aan consumptie. Een belasting op consumptie is nu minder verstorend dan de belasting op arbeidsinkomen, omdat de consumptiebelasting wel (indirect) het niet-arbeidsinkomen b belast; namelijk wanneer dat inkomen wordt omgezet in consumptie. De belasting op consumptie kan dan daarom dezelfde opbrengst genereren met lagere effectieve tarieven. Dus zijn er sterkere economische prikkels om arbeid aan te bieden.

Echter, stel nu dat niet-arbeidsinkomen wordt belast met \tau _{b}. Indien het niet-arbeidsinkomen op dezelfde wijze wordt belast als arbeidsinkomen (\tau _{l}=\tau _{b}), dan geldt wederom de equivalentie tussen een uniforme belasting op consumptie en inkomen:

(1+\tau _{c})c=(1-\tau _{l})(wl+b).

De crux is dus of er niet-arbeidsinkomen is dat lager of niet wordt belast dan arbeidsinkomen, bijvoorbeeld pensioenen. In dat geval is een consumptiebelasting minder verstorend dan een belasting op arbeidsinkomen. Dat komt omdat een belasting op consumptie niet alleen de werkenden, maar ook indirect de gepensioneerden zwaarder belast. Dit is het fiscaliseringsargument van Mathijs Bouman.

Sterk hieraan gerelateerd is het argument dat een eenmalige en niet-voorziene verhoging van de consumptiebelasting een eenmalige heffing impliceert op reeds geaccumuleerd vermogen van huishoudens — dit staat ook in het voorbijgaan genoemd in mijn blog. Dat kan zeer doelmatig zijn, aangezien geaccumuleerd vermogen verzonken is op het moment van heffing en er dus geen gedragsreacties optreden. Echter, wanneer de btw-verhoging wordt voorzien, dan werkt een stijgende consumptiebelasting als een belasting op besparingen en verstoort daarmee het spaargedrag — zie ook beneden voor meer uitleg.

De winst van de belastingverschuiving ontstaat dus omdat de belastingdruk wordt verschoven van mensen die werken naar mensen die dat niet doen. Exact dezelfde winst kan ook worden bereikt door de pensioenen te verlagen of de vermogens eenmalig te belasten en dat terug te geven in de vorm van lagere belastingen voor werkenden. Daarvoor hoeft geen verschuiving van de btw naar de ib te worden gedaan. Echter, wanneer de gepensioneerden of vermogenden worden gecompenseerd voor de hogere btw dan geldt weer dat belastingen op arbeid hetzelfde zijn als belastingen op consumptie. Dan is het weer allemaal lood om oud ijzer of we consumptie of arbeidsinkomen belasten.

Ten tweede, mensen consumeren niet alleen, ze sparen ook of laten erfenissen na. Dit is tot nu toe een statische setting zonder besparingen waarin dit niet kan worden geanalyseerd. Maar we kunnen het model eenvoudig uitbreiden.

In een dynamische setting met besparingen moet over het leven gelden dat de contante waarde van de consumptie gelijk is aan de contante waarde van het inkomen, plus de waarde van initiële bezittingen b_{0} (bijvoorbeeld doordat een erfenis wordt ontvangen) minus de contante waarde van weggegeven bezittingen aan het einde van het leven b_{T} (doordat een erfenis wordt nagelaten). In wiskunde:

\sum_{t=0}^{T}\frac{(1+\tau _{c})c_{t}}{(1+r)^{t}}=\sum_{t=0}^{T} \frac{(1-\tau _{l})w_{t}l_{t}}{(1+r)^{t}}+b_{0}-b_{T}.

Ik heb hier aangenomen dat belastingen en rentevoeten constant zijn door de tijd en dat er geen belasting op kapitaalinkomen wordt geheven. Op dat laatste kom ik zo terug.

Als we de contante waarde van consumptie definiëren als C\equiv \sum_{t=0}^{T}\frac{c_{t}}{(1+r)^{t}} en de contante waarde van
arbeidsinkomen als WL\equiv \sum_{t=0}^{T}\frac{w_{t}l_{t}}{(1+r)^{t}}, dan zien we dat dit exact kan worden geschreven zoals in het statische model:

(1+\tau _{c})C=(1-\tau _{l})WL+b_{0}-b_{T}.

Dus geldt de equivalentie tussen consumptiebelastingen en proportionele belastingen op arbeidsinkomen nog steeds indien kinderen net zo veel erven van hun ouders als ouders weggeven aan hun kinderen (b_{0}=b_{T}):

(1+\tau _{c})C=(1-\tau _{l})WL.

Merk ook op dat het niet uitmaakt — in tegenstelling tot de suggestie van Pieter Gautier — wanneer mensen hun geld verdienen en wanneer mensen consumeren zolang de belastingtarieven vlak en constant zijn door de tijd. De equivalentie tussen belastingen op consumptie en arbeidsinkomen gaat dan nog steeds op.

Een zeer belangrijke relativering bij het argument van erfenissen als bron van (deels) onbelast inkomen is dat ook rekening moet worden gehouden met de erflaters. De grondslag voor de btw gaat juist omlaag doordat mensen een erfenis b_{T} achterlaten en dat inkomen dus niet zelf consumeren en daarover btw betalen. Voor de economie als geheel moet natuurlijk ook gelden dat er net zoveel wordt nagelaten als dat er wordt geërfd, dus dat b_{0}=b_{T}. Erfenissen zijn daarom in beginsel geen goede reden waarom de btw minder verstorend is dan de inkomstenbelasting.

Indien we het model zouden uitbreiden met altruïstische ouders zoals in Barro (1974), die optimaal hun kinderen een erfenis nalaten, dan zouden we een budgetrestrictie voor een hele dynastie — een ketting van ouders met al hun kinderen en kleinkinderen — kunnen opschrijven, die eruit ziet als

(1+\tau _{c})C=(1-\tau _{l})WL+b_{0}-b_{\infty }.

Waar de hoofdletters nu staan voor de contante waarden van consumptie en arbeidsinkomen in de gehele dynastie. Als nu de oerouders helemaal aan het begin van hun dynastie begonnen met nul vermogen (b_{0} = 0), en hun achter-achterkleinkinderen aan het einde der tijden geen vermogen meer (hoeven) hebben (b_{\infty }=0), dan geldt wederom dat een vlakke consumptiebelasting gelijk is aan een proportionele inkomstenbelasting:

(1+\tau _{c})C=(1-\tau _{l})WL.

Erfenissen zijn daarom ook in deze meer algemene setting geen goede reden om te veronderstellen dat de btw minder verstorend zou zijn dan de belasting op arbeidsinkomsten.

Ten derde, het belangrijkste argument in de economische literatuur dat de btw als minder verstorend wordt gezien dan de inkomstenbelasting geldt voor een synthetische inkomstenbelasting, waarbij arbeidsinkomen en kapitaalinkomen gezamenlijk onder hetzelfde tarief \tau _{i} worden belast. En dit is ook het argument dat door Cnossen in diverse publicaties wordt genoemd, zie bijvoorbeeld Cnossen en Bovenberg (1997) en Cnossen (2011). Dit kan ook zijn uitspraken in De Telegraaf verklaren.

In de meeste landen — en voor 2001 ook in Nederland — wordt belasting geheven over de som van het arbeids- en kapitaalinkomen. Onder een synthetische inkomstenbelasting — en zonder erfenissen — kan de dynamische budgetrestrictie van een huishouden worden geschreven als:

\sum_{t=0}^{T}\frac{(1+\tau _{c})c_{t}}{(1+(1-\tau _{i})r)^{t}} =\sum_{t=0}^{T}\frac{(1-\tau _{i})w_{t}l_{t}}{(1+(1-\tau _{i})r)^{t}}.

In dit geval is het zeer eenvoudig om aan te tonen dat een belasting op consumptie minder verstorend is dan een belasting op inkomen. Dit gaat al terug naar Pigou (1928). De belasting op inkomen verstoort het arbeidsaanbod, net als een belasting op consumptie. Bij gelijke opbrengst maakt het daarom niet uit voor de verstoringen in de arbeidsmarkt of de overheid btw of ib heft. Echter, bij een synthetische inkomstenbelasting, verstoort de overheid ook de spaarbeslissing. Het netto rendement op sparen wordt door de inkomstenbelasting verlaagd van r naar (1-\tau _{i})r. Dus toekomstige consumptie wordt duurder in termen van huidige consumptie: mensen moeten meer consumptie vandaag opofferen om een eenheid consumptie morgen te krijgen. Een vlakke consumptiebelasting verstoort de spaarbeslissing daarentegen niet: het tarief op consumptie op verschillende tijdstippen is gelijk. Dus maakt het fiscaal niet uit op welk tijdstip mensen consumeren; hun belastingdruk blijft gelijk. Dit is de echte reden waarom veel economen vinden dat een consumptiebelasting efficiënter is dan een belasting op inkomen.

Echter, dit inzicht is in het geheel niet van toepassing op de Nederlandse discussie. Nederland heeft namelijk geen synthetische inkomstenbelasting waarin arbeids- en kapitaalinkomen gezamenlijk worden belast onder één tarief. Nederland heeft een boxenstelsel waarin arbeidsinkomen gescheiden wordt belast van kapitaalinkomen. De discussie in Nederland gaat daarom over de vraag of de btw doelmatiger is dan de belasting op arbeidsinkomen in box 1. En zoals ik heb betoogd, is het dan lood om oud ijzer of arbeidsinkomen of consumptie wordt belast.

Ten vierde, er is ook sprake van onbelaste consumptie. Dit argument wordt eigenlijk nooit genoemd in de discussie, ook door mij niet. Maar ik realiseer me nu dat dat heel vreemd is. Volgens het CPB (2014) is zo’n 60 procent van alle consumptie onbelast door het nultarief of de vrijstellingen in de btw. Denk bijvoorbeeld aan het onderwijs, de zorg, de overheid of de financiële sector. Daarnaast valt ook alle consumptie in de informele en zwarte sector niet onder de btw. Denk aan de baten van huishoudproductie (koken, schoonmaken, zorg voor kinderen, klussen) en de consumptie van onbelaste zwarte goederen en diensten.

Om de gevolgen van onbelaste consumptie te analyseren keren we nu weer terug naar het simpele statische model. Laat de onbelaste consumptie c_{0} zijn. Als we niet-arbeidsinkomens op nul zetten (b=0), dan is de budgetrestrictie van het huishouden gelijk aan:

c_{0}+(1+\tau_c)c=(1-\tau_l )wl.

Hier zien we dat de belasting op arbeidsinkomen potentieel veel minder verstorend is dan de btw. De reden is dat de belasting op arbeidsinkomen mensen al raakt voordat ze hun geld kunnen uitgeven aan onbelaste goederen en diensten. De conclusie is dan dat de inkomstenbelasting minder verstorend is dan de btw als een groot deel van de consumptie niet wordt belast door de btw.

Dit is een potentieel belangrijk argument. 60 procent van de totale consumptie van zo’n 500 miljard euro wordt niet belast. Dat is 300 miljard euro aan consumptie, oftewel 40 procent van het bbp. We kunnen we er dan gevoeglijk van uitgaan dat dit kwantitatief veel belangrijker is dan het effect van lager-belaste inkomens die niet uit arbeid worden verkregen, zoals pensioenen en uitkeringen. Het is daarom zeer wel denkbaar dat de inkomstenbelasting juist veel efficiënter is dan de btw.

Vandaar dat ik ook niet direct overtuigd ben van de studie die door Koen Caminada wordt gesuggereerd (Prammer, 2011). De modelsimulaties die worden geciteerd in dit paper produceren natuurlijk resultaten die het gevolg zijn van modelaannames, zoals de aanname van een synthetische inkomstenbelasting of dat alle consumptie wordt belast. Daarnaast ben ik uitermate sceptisch over de resultaten van groeiregressies op een panel van landen, zoals die in dat artikel worden samengevat. Vrijwel alle resultaten uit schattingen van groeiregressies zijn fragiel, zie ook Levine en Renelt (1992).

Ten vijfde, en tot slot, Bas van der Klaauw suggereert dat de btw-ib verschuiving zinvol kan zijn om een ‘fiscale devaluatie’ te bewerkstelligen. Echter, dit werkt alleen goed als de btw wordt verhoogd en de werkgeverslasten op arbeid (niet de ib) worden verlaagd. Op die manier kan Nederland zijn loonkosten per eenheid product verlagen en een verbetering van de concurrentiepositie realiseren. Zie ook De Mooij en Keen (2013) en Farhi et al. (2014).

Fiscale devaluaties werken echter alleen goed als de wisselkoers vastligt — een redelijke aanname voor Eurolanden — en de lonen rigide zijn. Dat laatste is minder waarschijnlijk. Wanneer bijvoorbeeld vakbonden doorkrijgen dat een fiscale devaluatie leidt tot een daling van het reëel besteedbaar loon van werknemers, zullen de lonen worden verhoogd en dan verdampt het prijsconcurrentievoordeel. Dat geldt waarschijnlijk op de lange termijn.

Bovendien treedt het voordeel maar beperkt of helemaal niet op wanneer de ib op werknemers in plaats van werkgevers wordt verlaagd, zoals in de kabinetsplannen. Het arbeidsaanbod is betrekkelijk inelastisch en de arbeidsvraag is behoorlijk elastisch. De belastingen (en hun verlagingen) worden daarom vooral gedragen door de minst elastische kant van de arbeidsmarkt: de werknemers. Daardoor leidt maar weinig van de ib-verlaging tot een daling van de loonkosten voor werkgevers. We mogen daarom niet veel van een ‘fiscale devaluatie’ verwachten.

De conclusie is dat een belasting op consumptie gelijk is aan een belasting op arbeidsinkomen indien alle consumptie en alle inkomen worden belast. Een lastenverschuiving van arbeid naar consumptie is daarom in beginsel ook lood om oud ijzer. De standaardredenering dat consumptiebelastingen efficiënter zijn dan inkomstenbelastingen geldt vooral onder een synthetische inkomstenbelasting waarbij arbeids- en kapitaalinkomen onder een tarief worden belast. Dit gaat niet op in Nederland waar arbeids- en kapitaalinkomens gescheiden worden belast in het boxensysteem. Er kunnen redenen zijn waardoor de equivalentie tussen inkomstenbelastingen en consumptiebelastingen niet opgaat. Die hebben te maken met onbelaste inkomens die niet door de arbeidsbelasting worden geraakt of met onbelaste consumptie die niet door de btw wordt geraakt. En het zou best kunnen zijn onbelaste consumptie vele malen belangrijker is dan onbelast arbeidsinkomen. Dan zou de btw zelfs schadelijker kunnen zijn dan de belasting op arbeid.

Literatuur

Barro, Robert J. (1974), “Are Government Bonds Net Wealth?”, Journal of Political Economy, 82, 1095–1117.

CPB (2014), “Bouwstenen voor een Moderne Btw”, CPB Policy Brief, No. 2014/2, Den Haag: CPB.

Cnossen, Sijbren (2011), “A VAT Primer for Lawyers, Economists, and Accountants”, Tax Analysts, 23-51.

Cnossen, Sijbren, en A. Lans Bovenberg (1997), Verschuiving van Lastendruk: Lood om Oud IJzer?, Economisch Statistische Berichten, 4098 (82), 224-227.

Emmanuel Farhi, Gita Gopinath, en Oleg Itskhoki (2014), “Fiscal Devaluations”, Review of Economic Studies, 81 (2), 725–760.

Levine, Ross en David Renelt (1992), “A Sensitivity Analysis of Cross-Country Growth Regressions”, American Economic Review, 82, (4), 942-963.

Mooij, Ruud A. de, en Michael Keen (2013), “”Fiscal Devaluation” and Fiscal Consolidation: The VAT in Troubled Times” in: Alberto Alesina en Francesco Giavazzi (eds.), Fiscal Policy after the Financial Crisis, hst. 11, pp. 486-493.

Pigou, Arthur C. (1928), A Study in Public Finance, London: MacMillan.

Prammer, Doris (2011), “Quality of Taxation and The Crisis: Tax Shifts from a Growth Perspective”, TAXUD Working Paper No. 29, Brussels: European Commission.
Lees de rest van dit artikel »

Written by basjacobs

6 januari 2019 at 15:59

Geplaatst in economie

Verhoging btw-tarief: waarom eigenlijk?

Ik kijk nu al dagen met stijgende ergernis naar de uitzendingen van Nieuwsuur over de verhoging van het lage btw-tarief van 6 procent naar 9 procent. Helemaal niemand – niet staatssecretaris van Financiën Menno Snel, maar ook niet huiseconoom Mathijs Bouman – legt de juiste economische argumentatie uit. Sterker, onze staatssecretaris lijkt economisch volledig de kluts kwijt. Geen wonder dat burgers geen snars begrijpen waarom dit eigenlijk gebeurt. Terwijl het een prima maatregel is.

Het enige steekhoudende argument om het lage btw-tarief dichter bij het hoge btw-tarief te krijgen, is dat de overheid dan minder fiscaal stuurt in de manier waarop mensen hun aankopen doen. Verschillende btw-tarieven verstoren namelijk het consumptiegedrag. Mensen kopen relatief meer goederen in het lage tarief dan in het hoge tarief, omdat die relatief goedkoper zijn. Anders gezegd: bedrijven die spullen verkopen in het lage tarief concurreren oneigenlijk met bedrijven die spullen verkopen in het hoge tarief. Daarnaast zijn er allerlei uitvoeringskosten bij de overheid door de verschillende btw-tarieven: welk product valt er nu onder het ene of het andere tarief en hoe controleer je dat?

De echte reden om het tariefverschil te verkleinen is dus dat het consumptiegedrag economisch minder wordt verstoord. De structurele welvaartswinsten zijn volgens het CPB positief, maar relatief beperkt: in de orde van enige tienden procenten van het bruto binnenlands product. Het is schokkend dat helemaal niemand dit goed uitlegt, inclusief de staatssecretaris die de maatregel doorvoert.

Mathijs Bouman zegt in Nieuwsuur het dat beter is om te belasten als mensen hun geld uitgeven dan wanneer ze het verdienen. En ook dat de meeste economen dit vinden. Deze econoom vindt dat zeker niet, en ik heb sterke aanwijzingen dat mijn collega’s Lans Bovenberg, Sijbren Cnossen, Rick van der Ploeg of Ruud de Mooij deze opvatting delen.

Een lastenverschuiving van arbeid naar consumptie is in beginsel lood om oud ijzer. De winst in de arbeidsmarkt is nul als de prikkels om meer te werken niet toenemen. Dat is het geval zolang mensen voor een uur werken precies evenveel spullen kunnen kopen als voor de verschuiving. Het maakt dus niet uit of je eerst belasting betaalt als je je inkomen verdient of pas later betaalt als je je inkomen besteedt aan consumptie.

Alleen als de overheid via de achterdeur uitkeringsgerechtigden, gepensioneerden of vermogenden zwaarder gaat belasten, omdat zij wel de btw-verhoging krijgen, maar minder of geen belastingverlaging op arbeid, alleen dan ontstaat een winst in de arbeidsmarkt. Maar dat komt alleen omdat de belastingdruk wordt verschoven van mensen die werken naar mensen die dat niet doen. Maar niet omdat de belastingdruk wordt verschoven van arbeid naar consumptie. Precies hetzelfde effect kan namelijk worden bereikt met een verlaging van de uitkeringen of pensioenen, of een eenmalig hogere vermogensbelasting, zonder de belastingverschuiving van arbeid naar consumptie.

Hetzelfde verhaal geldt als de arbeid-btw-verschuiving leidt tot een denivellering van inkomens. Als lage inkomensgroepen niet volledig worden gecompenseerd voor de btw-verhoging en hoge inkomensgroepen meer dan volledig. De prikkels om harder te werken nemen dan toe. Maar dat is alleen omdat de inkomensverschillen toenemen. Echter, het is die denivellering die ervoor zorgt dat de prikkels om te werken sterker worden. Wederom kan exact hetzelfde resultaat worden bereikt met een minder progressieve belasting op arbeid, zonder een belastingverschuiving van arbeid naar consumptie.

De conclusie is dat een belastingverschuiving van arbeid naar de consumptie op zichzelf niet leidt tot meer werk en daarom goed is voor de economie. Alleen als de inkomensverschillen onder werkenden of tussen werkenden en niet-werkenden groter worden, dan is de maatregel gunstig voor de arbeidsmarkt, maar ook ongunstig voor de ongelijkheid.

Het kan best zijn dat regering Rutte III stiekem de uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden zwaarder wil belasten of de inkomens wil denivelleren. Het is overduidelijk dat de midden en hogere inkomens er met deze centrumrechtse regering beter uitspringen dan de lage inkomens. Dat is een politieke keuze. Maar laat de regering dat dan expliciet zeggen en geen rare verhalen verkopen dat de lastenverschuiving goed zou zijn voor de economie.

Daarnaast suggereerde staatssecretaris Menno Snel ook dat hij de btw-verhoging goed vindt omdat we werken aantrekkelijker willen maken en consumptie willen ontmoedigen vanwege het milieu. Het is economische onzin als Snel beweert dat de btw-verhoging is bedoeld als ‘vergroening’. Vervuilend gedrag wordt gestuurd door de relatieve prijs van vervuilende consumptie ten opzichte van schone consumptie. Schone en vuile goederen worden beiden zwaarder belast door de btw-verhoging. Dus leidt het hogere btw-tarief niet tot afremming van vervuilende consumptie. De maatregel heeft daarom helemaal niets met vergroening te maken.

Bovendien: mensen werken om te kunnen consumeren. Wat doe je dus nu als je de btw verhoogt? Werken minder aantrekkelijker maken; als je voor een uur werk minder spullen kunt kopen, dan loont het minder om te werken. Maar als we de btw-verhoging gebruiken om de belasting op arbeid te verlagen, en iedereen voor een uur werk nog precies hetzelfde kan kopen, dan doet dat helemaal niets met de arbeidsmarkt en daarmee ook niet met het milieu. Het milieu gaat er pas op vooruit als we met zijn allen minder gaan werken, omdat we dan minder spullen zullen kopen. Maar minder werken? Dat is helemaal niet wat Snel wil. Die zogenaamde milieuwinst is dus een praatje voor de vaak.

Waarom hebben we eigenlijk dat lage btw-tarief? Veel mensen denken dat we een laag tarief hebben omdat mensen uit lage inkomensgroepen meer aankopen doen in het lage tarief. Daar zitten immers de noodzakelijke levensbehoeften in. Maar wat blijkt? De hoge inkomens doen relatief wat meer van hun boodschappen in het lage tarief dan lage inkomens. In de volgende figuur van het CPB staan de uitgavenaandelen in de totale bestedingen gerangschikt naar inkomensdeciel. Hieruit blijkt dat mensen zo ongeveer een kwart van hun boodschappen doen in het lage tarief. En dat rijke mensen – hogere inkomensdecielen – relatief meer boodschappen doen in het lage tarief. Zij geven veel geld uit in restaurants en cafés, traiteurs en doen chique boodschappen.

cpb_btw

Het lage btw-tarief helpt dus helemaal niet om lage inkomens relatief minder belasting te laten betalen, in tegendeel. Het is daarom prima om het lage btw-tarief te verhogen, ook voor linkse mensen. De lage inkomensgroepen kunnen beter worden bereikt met een lagere inkomstenbelasting dan met een laag btw-tarief.

Tot slot een opmerking over Nieuwsuur. Mag het iets minder populistisch en iets beter geïnformeerd?

De voortdurende insinuaties van Arjan Noorlander bij de staatssecretaries – ‘u maakt alles duurder’ – zijn ergerniswekkend. Circa driekwart van de goederen en diensten wordt helemaal niet duurder door de verhoging van het lage btw-tarief – zie de figuur. Goederen en diensten worden dan ongeveer 0,75 procent duurder.

Waarom vraagt Nieuwsuur alleen maar groenteboeren, bakkers en supermarkten om te klagen over de btw-maatregel? Waarom zien we geen elektronicazaken, autobedrijven of kledingwinkels die klagen over oneigenlijke concurrentie? Waarom vraagt niemand aan die mensen of zij eigenlijk blij zijn dat er nu meer van hun spullen zullen worden verkocht?

En: ‘de mensen geloven het niet’, dat de belastingen omlaaggaan. Inderdaad, want de mensen hebben gelijk. Nieuwsuur weet kennelijk niet dat de belastingen omhooggaan in 2019 en laat de staatssecretaris wegkomen met verhalen dat de belastingen omlaaggaan.

Hoe zit dat? De regering verlaagt de belastingen ten opzichte van het ingezette beleid van voor Rutte III. Maar dat ingezette beleid zou hebben geleid tot een forse lastenverhoging. De regering laat de lasten minder hard stijgen met haar plannen. Zie deze figuur uit de Miljoenennota 2019:

mn2019_lasten

De staatssecretaris spreekt alleen over de linker figuur. Terwijl de rechter figuur aangeeft wat mensen ervaren in hun portemonnee.

Mag de discussie over de verhoging van het lage btw-tarief wat strakker geargumenteerd? De hoofdreden om de verschillen in tarieven te verkleinen is dat tariefverschillen in de btw het consumptiegedrag verstoren. Dat kan beter over het voetlicht worden gebracht, vooral door de staatssecretaris van Financiën zelf. Het argument dat de belastingverschuiving van arbeid naar consumptie leidt tot meer werk of goed zou zijn voor de economie is drijfzand. En dat de maatregel goed zou zijn om het belastingstelsel te vergroenen is economische nonsens. Het is ook niet dat door de btw-verschuiving de lage inkomens direct de pineut zouden zijn. Maar de regering kiest overduidelijk om de koopkrachtstijging voor andere inkomensgroepen groter te maken.

Written by basjacobs

4 januari 2019 at 10:05

Geplaatst in economie

Vakbonden en pensioenen

De vakbonden bepleiten een reëel pensioencontract met meer pensioenrisico’s en een daarbij behorende hogere rekenrente. Economisch hebben ze daarin gelijk: minder zekerheid betekent een hogere rekenrente, zoals Coen Teulings en anderen terecht betogen.

Maar aangezien de harde garantie op een nominaal pensioen wordt vervangen door een zachte garantie op een reëel pensioen, bestaan er sterke prikkels om te veel risico te nemen met de pensioenen. Op korte termijn kunnen pensioenfondsen hogere beleggingsrendementen incasseren. Op lange termijn kan dat verkeerd uitpakken als het tegen mocht vallen. Pensioenfondsen hoeven namelijk niet meer de pensioenen te garanderen.

De brief van de vakbonden bewijst dat zij kortzichtig zijn. De vakbonden willen wel nu de pensioenen indexeren, maar ze leggen helemaal niet uit hoe jongere generaties goed worden beschermd tegen het mogelijk afwentelen van hogere pensioenrisico’s op toekomstige generaties. Juist vanwege die kortzichtigheid moet worden gevreesd dat pensioenfondsbesturen onvoldoende prudent zijn en jongeren de pineut worden van de pensioenherziening.

Als de vakbonden serieus genomen willen worden in het pensioendebat, dan moeten ze heel snel en heel precies gaan uitleggen hoe ze goede en slechte pensioenresultaten willen verdelen over alle pensioendeelnemers. Dat doen ze nu niet en dat willen ze volgens mij ook niet.

Daarom willen Koolmees en DNB een risicovrije rekenrente bij een zacht reëel pensioen. Dat is weliswaar economisch niet goed te onderbouwen. Het is kostbaar, want deze vorm van voorzorgssparen leidt tot gemiddeld veel te hoge pensioenreserves. Maar het is wel te begrijpen: het compenseert voor de kortzichtigheid van pensioenfondsbesturen. Die reserves kunnen in de praktijk nodig blijken om de gevolgen van slecht pensioenfondsbestuur op te kunnen vangen.

De enige manier om uit deze patstelling te komen is nieuwe toezichtsregels te bedenken waardoor excessief risicozoekend gedrag (moral hazard) van pensioenfondsbesturen wordt ingedamd. Beter pensioenbestuur leidt dan tot minder noodzaak van pensioenreserves. Dan kan er ook met een hogere rekenrente worden gerekend.

Beter is om een pensioenstelsel met individuele rekeningen in te voeren. Dan bestaat dit soort gedoe over rekenrentes niet meer. Hogere rekenrente bij een pensioenprobleem? Helemaal prima, belazer vooral jezelf.

Written by basjacobs

30 oktober 2018 at 08:48

Geplaatst in economie

Italië en de Europese begrotingsregels

Het Financieele Dagblad opent vanochtend op de voorpagina dat Italië op ramkoers ligt met de Europese Commissie over de begroting. Het FD schrijft economische onzin op: “Afspraken over gezonde overheidsfinanciën zijn er niet voor niets in de eurozone. Zij moeten de koers van de euro stabiel houden.”

Het hele stuk toont aan dat de begrotingsregels worden gezien als een stok om ongehoorzame landen mee te slaan, maar dat de economische reden waarom we begrotingsregels eigenlijk nodig hebben niet duidelijk is.

Bij invoering van de euro zijn begrotingsregels ingevoerd om twee redenen. Ten eerste, te voorkomen dat landen druk op de ECB uitoefenen om de inflatie te laten oplopen en zo schulden weg te infleren. Ten tweede, voorkomen dat de rente gaat oplopen door te hoge staatsschulden waardoor de investeringen afnemen.

De vrees voor hogere inflatie en rentes is echter ongegrond gebleken. De ECB is een conservatieve centrale bank. De ECB vecht al jaren tegen te lage inflatie. De rente in het eurogebied is nog nooit zo laag geweest. Terwijl de staatsschulden fors zijn opgelopen door de crisis.

Naast betwijfelbare voordelen, hebben de begrotingsregels ook nadelen. De Eurozone is tijdens de Grote Recessie onnodig in een dubbeldiprecessie beland, omdat de begrotingsregels landen dwongen te bezuinigen. Dat kan bij de volgende recessie weer gebeuren.

Bovendien kan de staatsschuld zo goed als helemaal verdwijnen als alle eurolanden zich volledig aan alle begrotingsregels zouden gaan houden. Daar zit geen enkele diepere macro-economische gedachte achter. Een moderne economie kan echter niet goed functioneren als er onvoldoende risicoloze beleggingen zijn, bijvoorbeeld voor pensioenfondsen, banken en verzekeringsmaatschappijen.

Sterker, als de private sector wil sparen voor de vergrijzing is het misschien onvermijdelijk dat de publieke sector daarin moet voorzien. In een relatief gesloten economie als de eurozone zijn de bezittingen van de private sector namelijk de verplichtingen van de publieke sector. Misschien laten het vergrijsde Japan en Italië wel zien wat Europa de komende jaren te wachten staat.

De enige goede reden om begrotingsregels te willen hebben, is dat de dodelijke omhelzing tussen banken en overheden in de Eurozone niet is doorbroken. Banken hebben veelal grote hoeveelheden obligaties van de eigen overheid. Als overheden in de problemen komen, en obligatiekoersen dalen (rentes lopen op), dan komen banken direct ook in de problemen.

En overheden zijn nog altijd hoofdverantwoordelijk voor het redden van systeembanken. Als banken wankelen, dan moeten overheden weer banken redden, en dan komen zij zelf ook in de problemen.

Er is geen werkend schuldherstructureringsmechanisme voor failliete landen. En de bankenunie is niet af: de kosten van eventuele bankreddingen worden niet gedeeld tussen Eurolanden en er is geen Europees depositogarantiestelsel.

Beter is daarom om de bankenunie af te maken en een schuldherstructureringsmechanisme in te voeren. Dan kunnen de begrotingsregels worden afgeschaft. Overheden kunnen dan immers failliet gaan zonder grote schokgolven in het financiële stelsel te veroorzaken. En Brussel kan ophouden zich te bemoeien met de begroting van soevereine staten.

Dit lijkt mij kansrijker om de wind uit de zeilen van de populisten in Italië te halen dan ze het vel over de oren te trekken met een buitensporige tekortprocedure.

Written by basjacobs

23 oktober 2018 at 08:06

Geplaatst in economie

Ten hele gedwaald met de dividendbelasting

De kogel is door de kerk. De dividendbelasting wordt afgeschaft. Zo is afgelopen donderdag door het kabinet besloten. Alleen de Eerste Kamer kan het voorstel nog blokkeren. Maar dan moeten ze het hele belastingplan wel afschieten.

Paul Polman, CEO van Unilever, zagen we eerder die dag bij de NOS op een winderig bouwterrein voor een draaiende camera om de afschaffing nogmaals te bepleiten. Zie dit filmpje.

Ongetwijfeld was de oproep bedoeld voor Alexander Pechtold en Gert-Jan Segers om ze het laatste zetje te geven. Wat Polman zei was nogal onthutsend. En dan heb ik het nog niet eens over zijn onsamenhangende teksten over de media-aandacht voor neerstortende vliegtuigen.

Polman: “Het is een dubbele belasting, andere landen hebben het niet.”

Hoe komt hij hierbij? Ten eerste, vrijwel alle OESO-landen hebben wél een dividendbelasting voor buitenlandse aandeelhouders, in tegenstelling tot wat Polman beweert, bijvoorbeeld de VS (30%), Canada (25%), Australië (30%), Nieuw Zeeland (30%), Ierland (20%), België (30%), Luxemburg (15%), Frankrijk (30%), Duitsland (25%), Italië (26%), Spanje (19%), Portugal (25%), Griekenland (15%), Noorwegen (25%), Zweden (30%), Denemarken (27%), Finland (20%), IJsland (20%), Polen (19%), Oostenrijk (25%), Litouwen (15%), Tsjechië (15-35%), Slovenië (15%), Slovakije (7-19-35%), Turkije (15%), Chili (35%), Israël (25-30%), Japan (15%) (zie PWC).

Maar het land dat geen dividendbelasting meer heft, waar Polman het vermoedelijk over heeft, is het VK.

Ten tweede, de dividendbelasting is juist vaak geen dubbele belasting. Ook daar verdraait Polman de werkelijkheid. Landen maken internationale afspraken om te voorkomen dat aandeelhouders twee keer belasting moeten betalen. In de meeste landen kunnen aandeelhouders daarom hun in Nederland betaalde dividendbelasting verrekenen met hun eigen belasting, zoals de OESO-modelverdragen ook aanbevelen.

De meeste buitenlandse aandeelhouders hebben daarom geen last van de Nederlandse dividendbelasting, alleen buitenlandse overheden. Wat in Nederland al is betaald, hoeven die aandeelhouders namelijk niet in eigen land nog eens te betalen. Dit is waarom het gros van de 2 miljard in de schatkisten van buitenlandse overheden verdwijnt. Immers, als buitenlandse aandeelhouders minder aan de Nederlandse overheid betalen, doen ze dat meer aan hun eigen overheid.

Een ruwe inschatting is dat het om ongeveer driekwart van het totaalbedrag kan gaan, zie SOMO. Oftewel zo’n 1,5 miljard euro. Dit bedrag moet met een korrel zout worden genomen. Precieze schattingen zijn er niet.

De dividendbelasting is nuttig omdat Nederland via de achterdeur buitenlandse overheden kan belasten. En dat zonder economische schade aan te richten, omdat buitenlandse aandeelhouders niet méér belasting hoeven te betalen dan ze al deden. Vrijwel alle overheden in de OESO doen dit. Bijkomend voordeel is dat, als buitenlandse aandeelhouders hun dividendinkomsten voor hun eigen fiscus verzwijgen, ze toch altijd belasting betalen.

Maar in welk land kan de in Nederland betaalde dividendbelasting weer niet worden verrekend? Het VK natuurlijk.

Bovendien, als niet buitenlandse particulieren maar buitenlandse bedrijven aandelen hebben in Nederlandse bedrijven, dan betalen ze ook geen dividendbelasting vanwege de inhoudingsvrijstelling.

Alleen voor bepaalde soorten aandeelhouders, bijvoorbeeld sommige beleggingsfondsen, kan het zijn dat de Nederlandse dividendbelasting niet kan worden verrekend, terwijl dit wel de fiscaal-juridische basisregel is. Of dit zo is, hangt af van de precieze afspraken die Nederland heeft gemaakt met andere landen in de belastingverdragen. Zie ook de Kamerbrief van Staatssecretaris Menno Snel.*

Polman vervolgt: “Daardoor hebben sommige bedrijven ervoor gekozen naar die landen te gaan.”

Of dit echt zo is, daar zou ik graag namen en rugnummers bij willen zien: welke bedrijven dan? En was het echt de dividendbelasting waardoor ze vertrokken? Zo ja, dan moet je je afvragen of je deze bedrijven wel in Nederland wil hebben.

Zo staat het VK namelijk in een lijstje met landen waar je eigenlijk niet tussen zou moeten willen staan, met onder andere Bahrein, Bermuda, Brazilië, Kaaimaneilanden, Malta, Estland, Letland, Hongarije, Guernsey, Macau, Hongkong, Eiland Man, Jersey, Liechtenstein, Singapore, Quatar en de Verenigde Arabische Emiraten (zie PWC).

Met andere woorden, de CEO-maatschappelijk-verantwoord-ondernemen Polman vindt kennelijk dat Nederland zich moet voegen in een rijtje belastingparadijzen. Nederland heeft al niet zo’n goed imago op dat gebied.

Polman: “Voor aandeelhouders die nu ergens geen belasting betalen en dat in de toekomst wel zouden moeten doen, is een land minder interessant.”

Wat mij hier het meest verbaast, is dat Polman zich opwerpt als de woordvoerder van de vereniging van effectenbezitters. Ik snap natuurlijk dat hij opkomt voor ‘zijn’ Britse aandeelhouders. Maar kan Polman aan Nederland nu eindelijk uitleggen wat het probleem van de dividendbelasting is voor zijn bedrijf, voor Unilever?

Ik zie het probleem namelijk niet.

Polman doet alsof hij afhankelijk is van aandeelhouders die de dividendbelasting niet kunnen verrekenen. Maar dat is een vreemd verhaal. In een open internationale kapitaalmarkt, zoals we die hebben, kan een bedrijf als Unilever vele miljarden ophalen bij aandeelhouders die nooit dividendbelasting hoeven te betalen. Denk bijvoorbeeld aan de Nederlandse pensioenfondsen. Voor iedere Britse aandeelhouder zijn er daarom tien anderen. De Britse aandeelhouders moeten dus noodgedwongen met een lager rendement genoegen nemen. Vervelend voor die aandeelhouders, maar geen probleem voor Unilever.

Theoretisch is het daarom uitermate onwaarschijnlijk dat de dividendbelasting een effect zou hebben op de kapitaalkosten van bedrijven. De afschaffing van de dividendbelasting leidt daarom ook niet tot een daling van de kapitaalkosten voor bedrijven en daarmee tot meer investeringen of meer werkgelegenheid in Nederland. Zie voor meer uitleg mijn artikel in TPE Digitaal.

Maar empirisch is het ook onwaarschijnlijk. Het beste, recente economische onderzoek dat ik ken naar de dividendbelasting, is van Danny Yagan (UC Berkeley) in de American Economic Review, een van de hoogst aangeschreven economietijdschriften. Hij vindt dat de verlaging van de dividendbelasting in de VS in 2003 nul (!) effect heeft gehad op de bedrijfsinvesteringen en de lonen, maar wel de dividenduitkeringen van bedrijven met minimaal 20 procent heeft verhoogd.

Polman is daarom een voorbeeld van een CEO die denkt dat, wat in het belang is van het bedrijfsleven per definitie ook in het belang is van Nederland. Echter, bij de dividendbelasting moet een maatschappelijke kosten-batenafweging worden gemaakt, waarin alle kosten en alle baten van een maatregel voor alle Nederlanders worden gewogen. Niet een private kosten-batenafweging waarin alleen wordt gekeken naar het belang van ondernemingen. Niet alles wat goed is voor het bedrijfsleven, is per definitie goed voor Nederland. Zeker niet wanner Nederlanders dat 2 miljard euro per jaar gaat kosten en de opbrengsten voor bedrijven uiterst kwestieus zijn.

Nog een keer: wat is het probleem van Polman? Mijn inschatting is dat hij steeds weer wordt lastiggevallen door een paar chagrijnige Britse beleggers op de aandeelhoudersvergadering van Unilever.

Als het gejeremieer van Britse aandeelhouders inderdaad het probleem is, dan had Polman als vertegenwoordiger van de effectenbezitters ook naar Theresa May kunnen stappen en op Downingstreet 10 zijn beklag kunnen doen. Hij had kunnen verzoeken of de Britse overheid niet een normaal fiscaal stelsel zou willen invoeren dat wél aansluit bij de andere OESO-landen, waardoor zijn aandeelhouders niet twee keer belasting hoeven te betalen. Daarvoor hoeven de Britten bovendien niet uit de EU. Want over de belastingen gingen en gaan de Britten nog altijd zelf.

Maar wat doet Polman? Hij gaat niet naar Theresa May, hij gaat samen met zijn kompanen van Shell, Akzo-Nobel, DSM, Philips en VNO-NCW naar het torentje in Den Haag. Hun advies aan Mark Rutte: Nederland moet hetzelfde doen als het VK.

En de rest van het verhaal kennen we.

Mark Rutte heeft tijdens de formatie zijn politieke lot verbonden aan de afschaffing van de dividendbelasting. Nederlandse belastingbetalers draaien nu op voor vermoedelijk meer dan een miljard euro aan meevallers in de schatkisten van buitenlandse overheden.

Het is cynisch. Ook Mark Rutte geeft toe dat hij de maatregel niet kan uitleggen.

Mark Rutte wil in het diepst van zijn vezels geen politieke draai maken en daarmee eigenstandig zijn politieke geloofwaardigheid beschadigen, ook al is hij in het pak genaaid door zijn maten van het bedrijfsleven, gaat de maatregel ten koste van het algemeen belang en wordt het vertrouwen van burgers in de politiek beschaamd.

Buma, Pechtold en Segers staan erbij en kijken ernaar. De regering keert niet ten halve. Ze dwaalt ten hele.

 

 

 

* Beleggers die hun in Nederland betaalde dividendbelasting niet kunnen verrekenen, spannen daarom regelmatig rechtszaken aan om de betaalde dividendbelasting terug te vorderen van de Nederlandse overheid. Het zou immers niet eerlijk zijn als Nederlandse beleggers geen dividendbelasting betalen en zij wel. Zie ook dit bericht van de NOS gister. Dit is overigens geen argument om de dividendbelasting af te schaffen, maar wel om te zorgen dat de Nederlandse wetgeving in overeenstemming wordt gebracht met de Europese wetgeving.

Written by basjacobs

1 september 2018 at 14:50

Geplaatst in economie

Blind gokken met de dividendbelasting

Deze week debatteert de Tweede Kamer over de voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting voor buitenlandse aandeelhouders. Ik heb een eerste versie van een artikel geschreven waarin ik beargumenteer dat deze maatregel een blinde gok is. Zie hier het artikel. De samenvatting is:

Dit stuk bespreekt de economie van de dividendbelasting en de voorgenomen kabinetsplannen van Rutte III om deze af te schaffen voor buitenlandse aandeelhouders. Afschaffing van de dividendbelasting kan theoretisch een positief effect hebben op de investeringen en de werkgelegenheid. Maar de condities waaronder dat het geval is, zijn empirisch uitermate onwaarschijnlijk: i) bedrijven zouden niet goed financiering kunnen krijgen op internationale kapitaalmarkten, ii) er zouden geen belastingverdragen zijn ter voorkoming van dubbele belastingheffing, en iii) bedrijven zouden alle investeringen aan de marge financieren met aandelenuitgiftes. De economische effecten van de verlaging van de dividendbelasting zijn waarschijnlijk verwaarloosbaar. Als buitenlandse aandeelhouders hun dividendbelasting niet kunnen verrekenen met de belastingen, krijgen die een windfall gain gefinancierd door Nederlandse belastingbetalers. Als buitenlandse aandeelhouders hun dividendbelasting wel kunnen verrekenen met de belastingen, profiteren niet zij, maar krijgen buitenlandse overheden een windfall gain gefinancierd door Nederlandse belastingbetalers. Na afschaffing van de dividendbelasting zal waarschijnlijk meer dividend worden uitgekeerd dan gebruikelijk, vooral in bedrijven waar topmanagers en leden van raden van bestuur relatief veel aandelen of optiepakketten hebben. Het vestigingsklimaat voor bedrijven wordt niet aantrekkelijker onder Rutte III aangezien de gemiddelde belastingen voor bedrijven niet omlaag gaan. Nederland zal een nog belangrijker internationale spil worden in internationale belastingarbitrage omdat het aantrekkelijker wordt voor internationale bedrijven en vermogenden om Nederland op legale wijze te gebruiken als doorvoerland voor bedrijfswinsten. Dit leidt tot grotere wereldwijde inkomens- en vermogensongelijkheid en kan de belastingmoraal ondermijnen. Het is mogelijk dat door de plannen van zowel Rutte III als Donald Trump Amerikaanse ondernemingen via Nederland miljarden uit belastingparadijzen belastingvrij kunnen gaan terugsluizen naar de VS.

 

Written by basjacobs

13 november 2017 at 18:59

Geplaatst in economie

Gaan mensen hun hypotheek aflossen onder Rutte III?

Worden de fiscale prikkels om hypotheken af te lossen sterker onder de kabinetsplannen? Het kabinet stelt voor om de maximale hypotheekrenteaftrek te gaan beperken van (maximaal) 50% nu tot 37% in de toekomst. Tegelijkertijd wordt het eigenwoningforfait verminderd met de opbrengst van de beperking van de hypotheekrenteaftrek van 0,75% naar 0,6%. Daarnaast wordt ‘Wet Hillen’ afgeschaft, die zegt dat mensen alleen eigenwoningforfait betalen als ze voldoende renteaftrek hebben. Ook worden de effectieve tarieven in box 3 verlaagd door de fictieve rendementen te koppelen aan meer recente cijfers voor risicovrije en risicodragende beleggingen. Tevens wordt het heffingsvrije vermogen in box 3 verhoogd van 25.000 naar 30.000 euro.

Om de vraag te beantwoorden of het aantrekkelijker wordt om een hypotheek af te lossen, beschouw ik het volgende gedachte-experiment. Stel dat iemand besluit om een deel van zijn spaargeld of vermogen in te zetten om zijn hypotheek af te lossen, wat gebeurt er dan met de totale belasting die deze persoon betaalt? Als de totale belasting die deze persoon betaalt afneemt, dan nemen de prikkels toe om het eigen huis af te lossen. Echter, als de totale belasting toeneemt, dan nemen de prikkels juist af om af te lossen. (Ik abstraheer hieronder van vermogensopbouw in de eigen onderneming en het pensioen.)

Aflossing van de hypotheek is voordelig  wanneer het belastingvoordeel van de renteaftrek τr – aftrektarief τ maal de hypotheekrente r – kleiner is dan de effectieve vermogensbelasting t in box 3: τr < t. Het bewijs staat onderaan deze blog. Hier zien we dat deze conditie van drie factoren afhangt: Wat is het aftrektarief τ in box 1? Wat is de hypotheekrente r die wordt betaald? En wat is het effectieve tarief van de vermogensbelasting t in box 3? Iemand met meer arbeidsinkomen zal in een hoger tarief vallen en meer profiteren van de hypotheekrenteaftrek. Dat geldt ook wanneer de rente op de hypotheek groter is. Echter, wanneer iemand meer vermogen heeft in box 3, dan neemt de vermogensbelasting t toe, waardoor het misschien toch aantrekkelijk kan zijn om het eigen huis af te lossen. Hieruit volgt dat het nooit optimaal is om het eigen huis af te lossen wanneer er geen belasting wordt betaald in box 3, dus wanneer het vrije vermogen onder de belastingvrije drempel zit.

Deze som maakt bovendien een zeer conservatieve aanname: dat mensen geen liquiditeitsvoorkeur hebben. Echter, als mensen ook hun vermogen (deels) liquide willen aanhouden, dan moet er een aanzienlijk groter fiscaal voordeel zijn op aflossen om voor het gemis aan liquide vermogen te compenseren. De conclusies in dit stuk zijn daarom eerder nog te optimistisch dan te pessimistisch over de bereidheid van mensen om af te lossen.

Het effectieve tarief van de vermogensbelasting in box 3 is gemiddeld gelijk aan t = 1,2%. Dit is het forfaitaire rendement (gemiddeld ongeveer 4%) maal het belastingtarief in box 3 van 30%. Sinds 2017 is het tarief in box 3 op budget-neutrale wijze progressief gemaakt (Belastingplan, 2016). Vandaar dat 4% ongeveer het gemiddelde forfaitaire rendement is. Echter, de effectieve tarieven in box 3 lopen uiteen van 2,871%×30% = 0,8613% voor vermogens tot aan 75.000 euro, 4,6%×30% = 1,38% voor vermogens tussen 75.000 – 975.000 en een tarief van 5,39%×30% = 1,617% boven de 975.000 euro. De cijfers zijn ontleend aan gegevens van de Belastingdienst. Vermogens onder de 30.000 euro worden helemaal niet belast (60.000 euro voor koppels).

Een voorbeeld kan verduidelijken. Stel dat iemand een hypotheekrente van r = 3% betaalt en de hypotheekrente mag aftrekken tegen een tarief van τ = 50%. Dan hebben we τr = 1,5%. Stel bovendien dat deze persoon een vrij vermogen heeft van 250.000 euro. In dat geval hebben we een effectieve vermogensbelasting in box 3 van t = 1,38%. Die ligt lager dan het fiscale voordeel van de renteaftrek τr = 1,5%. Dus is het in dit geval niet lonend om het vrije vermogen in te zetten om de hypotheek af te lossen.

Merk op dat wanneer mensen meer eigen geld in hun huis steken, de prikkel om af te lossen niet wordt bepaald door het eigenwoningforfait! Immers, de hoogte van het eigenwoningforfait is onafhankelijk van de vraag of het huis met geleend of eigen geld wordt betaald, maar hangt alleen af van de waarde van de woning. De waarde van de woning verandert niet als iemand een hogere of lagere hypotheek heeft. De verlaging van het eigen woningforfait is daarom geen reden om het eigen huis met meer eigen geld te financieren (wel om wel of geen huis te kopen, maar dat terzijde).

Alleen als het eigen huis naar box 3 wordt overgeheveld zou het niet langer meer uitmaken of het eigen huis met schuld of eigen geld is gefinancierd. Voor het weghalen van de prikkel om niet af te lossen zou het tarief van de hypotheekrenteaftrek nog verder moeten worden verminderd van 37% naar het 30%-tarief van box 3. Tegelijkertijd moet het forfaitaire rendement in box 3 vergelijkbaar zijn met de hypotheekrente. Of er zou een forfaitaire aftrek voor hypotheekrente moeten gelden, gebaseerd op het forfaitaire rendement in box 3.

In de volgende tabel laat ik zien bij welke belastingtarieven in box 1 en box 3 en bij welke hypotheekrente het aantrekkelijk is om de hypotheek af te lossen met spaargeld. Hieruit volgt dat het nooit financieel aantrekkelijk is om – zolang mensen minder dan 30.000 euro vermogen hebben – dit onbelaste spaargeld aan te wenden voor de aflossing van de hypotheek. De hypotheekrenteaftrek wordt dan opgegeven zonder dat er een winst tegenover staat van minder vermogensbelasting in box 3. Het is alleen aantrekkelijk om de hypotheek af te lossen bij zeer lage hypotheekrentes (weinig renteaftrek), lage inkomens uit arbeid (lage aftrektarieven) of zeer grote vermogens (hoge vermogensbelasting). Voor de gangbare rentetarieven is het in het bestaande belastingstelsel vrijwel altijd lonend om een zo hoog mogelijk hypotheek af te sluiten en zo weinig mogelijk eigen geld in het eigen huis te steken, ook al wordt vermogensbelasting in box 3 betaald over het vrij beschikbare vermogen.

aflossen_huidigLink: tabel met Excelsheet.

Wordt het nu met de kabinetsplannen onder Rutte III fiscaal aantrekkelijker om de hypotheek op het eigen huis af te lossen? In het kabinetsvoorstel gaat het maximale tarief van de hypotheekrenteaftrek naar 37%. Als er verder niets zou veranderen, dan wordt vermogensopbouw via het eigen huis mogelijk aantrekkelijker dan in box 3. Immers, het voordeel van de renteaftrek vermindert.

Echter, Kabinet Rutte 3 gaat ook het tarief van box 3 verlagen. Met hoeveel is nog steeds onduidelijk. Het CPB rapporteert in de doorrekening dat het gaat het om een structurele opbrengstderving van circa 200 miljoen euro. Aangezien een 1% lager tarief in box 3 zo’n 147 mln kost (Ministerie van Financiën, 2017), is dit equivalent aan een gemiddeld forfaitair rendement van 3,8% in plaats van 4%. Met andere woorden, het effectieve tarief in box 3 daalt ongeveer met afgerond 0,2%×30% = 0,1%. Daarnaast wordt ook de vrijstelling verhoogd in box 3 waardoor meer mensen geen heffing in box 3 betallen.

De afschaffing van ‘Wet Hillen’ leidt potentieel tot meer schuldfinanciering van het eigen huis. ‘Wet Hillen’ zegt dat mensen alleen eigenwoningforfait betalen als ze voldoende renteaftrek hebben. Dit is een impliciete subsidie op het aflossen van een hypotheek: hoe minder hypotheek, hoe groter het fiscaal voordeel. Ik kan echter niet goed kwantificeren hoe dit uitpakt.

In de volgende tabel laat ik zien wie er nu prikkels krijgen onder Rutte III om meer te gaan aflossen op het eigen huis als ik alleen rekening houd met de lagere tarieven voor aftrek en de lagere tarieven in box 3, maar niet met de afschaffing van Wet Hillen.

aflossen_rutte3Link: tabel met Excelsheet.

Voor de mensen met een oranje vakje verandert er iets door de plannen van Rutte III.  Voor niemand met een belastbaar vermogen van minder dan 75.000 euro in box 3 wordt het door de ingrepen van Rutte III aantrekkelijk om te gaan aflossen. Dit zijn ongeveer 12 miljoen van de 13,6 miljoen belastingplichtigen (Belastingplan, 2016), oftewel bijna 90% van de belastingplichtigen.Dus voor vrijwel niemand zal het financieel lonend zijn om de hypotheek af te lossen. Voor iedereen in de eerste twee schijven van de belastingen zal het niet aantrekkelijker worden onder Rutte III om te gaan aflossen. Dat zijn zo’n driekwart van alle belastingbetalers (CBS, 2015). En voor alle mensen die meer dan 4% hypotheekrente betalen, zal het onder Rutte III niet aantrekkelijker worden om nu te gaan aflossen.

Door het kabinetsbeleid wordt het alleen aantrekkelijker om vermogen over te hevelen van box 3 naar box 1 als:

  • mensen een hypotheekrente tussen de 3,5-4% betalen, in de hoogste vermogenscategorie van meer dan 975.000 euro vallen en een arbeidsinkomen hebben in een van de twee hoogste belastingschijven,
  • mensen die een hypotheekrente tussen de 3-3,5% betalen, in de op-een-na hoogste vermogenscategorie van 75.000-975.000 euro vallen en in de hoogste belastingschijf zitten.

Door Rutte III wordt het zelfs iets minder aantrekkelijk om hypotheken af te lossen voor mensen met een hypotheekrente van 3,50%, in het laagste tarief in box 1 en met vermogen tussen 75.000-975.000 euro. Dit komt doordat hun aftrektarief in box 1 een fractie omhoog is gegaan en hun tarief in box 3 een fractie omlaag.

Mijn conclusie luidt daarom dat de kabinetsplannen hoogst waarschijnlijk een summiere invloed zullen hebben om mensen aan te zetten – meer dan onder het huidige regime – hun hypotheken te gaan aflossen. De ingrepen onder Rutte 3 zijn niet krachtig genoeg om de bevoordeling van hypotheekschulden in het huidige stelsel substantieel te verminderen. Bovendien willen mensen een aanzienlijk fiscaal voordeel kunnen incasseren bij aflossing van het eigen huis om het gemis aan liquiditeit van vrij vermogen te compenseren. Ook heb ik niet gecorrigeerd voor het afschaffen van Wet Hillen waardoor aflossen ook minder aantrekkelijk is geworden.

De plannen van Rutte III zijn daarom (weer) een gemiste kans. Pas als het eigen huis echt van box 1 naar box 3 van de belastingen zou worden overgeheveld, kunnen we grotere effecten verwachten. Tot die tijd blijft de Nederlandse economie door (te) hoge hypotheekschulden financieel fragiel. De hervorming van de fiscale behandeling van het eigen huis is ook met Rutte III nog niet volbracht.

********

Dit bericht is bijgewerkt op basis van de beschikbare informatie in het Regeerakkoord en de CPB doorrekening. Dat heeft niet geleid tot andere sommen of conclusies.

Het formele bewijs voor de conditie τr < t is als volgt. We beschouwen een fictief persoon met een eigen huis ter waarde van E en met vermogen W. Deze persoon heeft een hypotheek ter waarde van H. De hypotheekrente is gelijk aan r. Het eigenwoningforfait is ρ procent van de waarde van het huis E. Het tarief waartegen de hypotheekrente wordt afgetrokken is τ. Het tarief van de inkomstenbelasting is θ. Voor alle schijven – behalve de hoogste schijf – geldt dat het aftrektarief voor de hypotheekrente gelijk is aan het belastingtarief: τ = θ. Het effectieve tarief van de vermogensbelasting in box 3 is t. De totale belasting B over het eigen huis en vermogen in box 3 voor deze persoon is gelijk aan: BθρEτrH + tW. θρE is de belasting via het eigenwoningforfait. Daarnaast wordt τrH aan voordeel genoten door de hypotheekrenteaftrek. Tenslotte wordt tW aan vermogensbelasting in box 3 betaald. Stel nu dat deze person een fractie dW van zijn vermogen inzet om zijn hypotheek met dH = dW < 0 te verlagen. Wat is dan het effect op de belasting die wordt betaald? Het antwoord is dB = – τrdH + tdW = – (τrt)dW. Aangezien dW < 0 (vermogen W daalt en de hypotheek H ook) gaat de belasting omhoog (dB > 0) als τr > t en omlaag (dB < 0) als τr < t. Merk op dat deze conditie niet afhangt van het eigenwoningforfait ρ of de waarde van het huis E.

 

Written by basjacobs

8 oktober 2017 at 21:31

Geplaatst in economie

%d bloggers liken dit: