Politieke Economie – Bas Jacobs

Economisch succes van Trump kan leiden tot de tirannie van het populisme

Veel mensen lijken ervan overtuigd dat Trump een economische ramp gaat opleveren. Zo schreef Paul Krugman direct na de verkiezingen dat de wereld in recessie zou komen. Een dag later kwam hij daarop terug. Veel is nog onduidelijk en de economische toekomst van de VS is fundamenteel onzeker. Desondanks is het goed mogelijk dat Trump’s economische plannen op de korte termijn zouden kunnen leiden tot een sterke economische opleving, maar leiden – mocht hij die plannen inderdaad tot uitvoering brengen – tot grote economische schade op de lange termijn. Een groot gevaar van de verkiezing van Trump is dat populisten wereldwijd met vergelijkbare economische agenda’s aan de haal gaan: economische successen boeken op korte termijn en ondertussen de liberale democratie, het klimaat, de handels-, asiel- en migratieverdragen, de internationale veiligheid, de financiële stabiliteit en de onderlinge verdraagzaamheid om zeep helpen.

Trump gaat de belastingen zeer sterk verlagen en de overheidsinvesteringen in infrastructuur fors opvoeren. Volgens een analyse van het Tax Policy Center dalen onder Trump de belastingen de komende tien jaar met cumulatief 6,2 biljoen dollar (= 3,3 procent bbp per jaar, het bbp is 18,6 biljoen dollar), door onder andere: lagere tarieven in de inkomsten- en winstbelasting, volledig aftrekbaar maken van investeringskosten van bedrijven en afschaffing van de erfenis- en giftenbelasting. Het toptarief gaat van 39,6 procent naar 33 procent. Het hoogste vpb-tarief gaat van 35 procent naar 15 procent. Driekwart van de belastingverlaging komt terecht bij het bedrijfsleven. De staatsschuld zou door de belastingplannen met 22,1 biljoen dollar oplopen tot aan 2036. Na doorwerking van de economie komt dit neer op een toename van de staatsschuld met ruim 50 procent van het bbp. De staatsschuld staat in 2016 naar schatting op 108 procent van het bbp. Alleen al de belastingplannen van Trump kunnen daarom leiden tot Japanse niveaus van de staatsschuld.

Trump wil daarnaast 1 biljoen dollar meer investeren in infrastructuur: tunnels, wegen, luchthavens en bruggen. Dat is ruim 5 procent van het Amerikaanse bbp. Ook wil Trump de uitgaven aan defensie opvoeren. De schatting van het Committee for a Responsible Federal Budget is 150 miljard dollar over de komende 10 jaar. Dit is in totaal ongeveer 0,1 procent bbp per jaar.

Al deze cijfers moeten met een korrel zout worden genomen; in de VS hebben ze niet een CPB dat alle verkiezingsprogramma’s en regeerakkoorden systematisch doorrekent. Maar één blik op deze cijfers laat zien dat het om groot bier gaat.

Trump wil de economie op korte termijn een enorme stimulans geven – waarvan overigens de allerrijksten het meest zullen gaan profiteren. Volgens de Tax Policy Center kunnen in 2017 de inkomens met gemiddeld met 4,1 procent stijgen. De 0,1 procent rijksten gaan er netto 14 procent op vooruit, het middelste kwintiel 1,8 procent en het onderste kwintiel slechts 0,8 procent. Trump zou met deze gigantische begrotingsimpuls ervoor kunnen zorgen dat de VS – en misschien zelfs de wereld – definitief een scenario met eindeloze stagnatie afwendt. Dit is een langdurig aanhoudende liquiditeitsval (beleidsrentes die op nul staan) met chronische onderbesteding en aanhoudende deflatiedruk, waardoor de economie langdurig stagneert.

De term eindeloze stagnatie komt van Alvin Hansen, de evenknie van Keynes in de jaren 30 in de VS. Hansen schreef in 1939 in de American Economic Review:

“This is the essence of secular stagnation – sick recoveries which die in their infancy and depressions which feed on them- selves and leave a hard and seemingly immovable core of unemployment.”

Dit was na de Grote Depressie in de jaren 30, toen veel Westerse economieën maar matig groeiden en de werkloosheid hoog bleef. De afgelopen jaren zijn in te veel opzichten een herhaling van de geschiedenis. Alvin Hansen leek voorgoed te zijn verdwenen in de geschiedenisboeken, totdat Larry Summers in november 2013 hem oprakelde in een lezing die hij voor het IMF hield.

Er kwam geen eindeloze stagnatie in de jaren 30, niet in de VS en niet in Europa. De reden? Adolf Hitler. Landen bouwden, vanwege de opkomst van Hitler maar ook door de aanslag op Pearl Harbor, hun militaire apparaat op. Door de economische voorspoed verdween de werkloosheid. De aanloop naar de Tweede Wereldoorlog zorgde – o ironie van de geschiedenis – voor de Keynesiaanse begrotingsimpuls die vele landen uit de stagnatieval zou trekken.

Talloze economen hebben de afgelopen jaren gepleit – bv. Krugman, Summers, en in Nederland Teulings en ikzelf – voor veel agressiever begrotingsbeleid. En agressief wordt het. Trump gaat het begrotingsbeleid zwaar inzetten. Conjunctuurpolitiek wordt niet langer gedelegeerd aan het Amerikaanse stelsel van centrale banken, de FED – die Trump overigens zwaar heeft bekritiseerd. De FED kan bij rentes nabij nul weinig meer uitrichten. De effectiviteit van het onconventionele beleid van kwantitatieve verruiming is bovendien twijfelachtig, zeker wanneer de centrale bank zich niet kan of wil committeren aan hogere toekomstige inflatie. Door een zeer grote bestedingsimpuls zou Trump de Amerikaanse economie kunnen bevrijden uit de liquiditeitsval, het gevaar op langdurige stagnatie kunnen afwenden en het monetaire beleid kunnen normaliseren.

De plannen voor een megastimulans verklaren volgens mij waarom de aandelenmarkten de afgelopen dagen zo weinig slecht nieuws te zien gaven. En de Amerikaanse kapitaalmarktrentes schoten de afgelopen week omhoog. Zo steeg de Amerikaanse tienjaars obligatierente van 1,8 naar 2,1 procent in een paar dagen tijd; dit is een teken dat markten (op dit moment) meer groei en inflatie verwachten. De FED zal de beleidsrentes sneller gaan normaliseren als de overheid de economie zwaar stimuleert. Ook kunnen de monetaire autoriteiten het onconventionele beleid sneller afbouwen.

Door hogere vraag nemen de inflatieverwachtingen toe. Dat heeft ook gunstige vraageffecten: als de rentes nabij nul staan, leiden hogere inflatieverwachtingen tot een lagere reële – voor inflatie gecorrigeerde – rente, waardoor de consumptie, investeringen en exporten toenemen, de laatste via een zwakkere dollar. Bovendien zien mensen met schulden die sneller minder waard worden, waardoor consumenten en bedrijven met schulden meer bestedingsruimte krijgen. Ook zullen vermogenden hun bezit minder snel zien groeien, maar die geven aan de marge veel minder uit dan de mensen met schulden. Netto nemen toch de bestedingen toe bij wat hogere inflatie.

Trump stelt een groot aantal economisch uitermate onverstandige dingen voor. Zijn protectionisme en het mogelijk opzeggen van handelsverdragen zullen de Amerikaanse economie en de wereldeconomie op lange termijn grote schade toebrengen. TPP en TTIP zullen waarschijnlijk nooit doorgaan. Misschien blaast Trump NAFTA op. En mogelijk ontketent Amerika handelsoorlogen, bijvoorbeeld met China. De economische schade van minder vrijhandel ontstaat op de lange termijn. Denk hierbij ook terug aan wat gebeurde na het Brexit-referendum; de economie belandde niet direct in een diepe recessie, maar zal pas op termijn de gevolgen van minder vrijhandel ondervinden. Minder vrijhandel werkt uit als een aanbodschok voor de economie. Immers bepaalde goederen duurder invoeren vanwege importheffingen, is economisch bezien hetzelfde als diezelfde goederen zelf duurder produceren omdat de VS daarin minder goed is dan het buitenland. Aangezien de wereldeconomie nog steeds behoorlijk wat overcapaciteit kent, en daarom de vraag – niet het aanbod – het inkomen bepaalt, denk ik niet dat wat minder vrijhandel op de wat kortere termijn tot zeer grote economische schade zal leiden, maar zeker wel op lange termijn. Ook in Amerika bestaat vermoedelijk nog behoorlijk wat onbenut potentieel. Weliswaar is de officiële werkloosheid in de VS sterk gedaald, maar de arbeidsparticipatie is fors lager dan voor de Grote Recessie. Zie de figuur.

Participatiegraad 15-65 jarigen VS (in procenten van de bevolking)

trump1

Bron: OESO, Labor Force Statistics

Ook hier weer kunnen we even terugkijken naar de jaren na Grote Depressie. De ineenstorting van de wereldhandel zou aan de jaren 50 aanhouden, zie ook de volgende figuur. De geschiedenis laat zien dat economieën ook kunnen herstellen bij minder vrijhandel zolang de binnenlandse vraag maar sterk genoeg groeit.

Som van exporten en importen in de wereld (in procenten van het wereld bbp)

trump2.pngBron: Ortiz-Ospina en Roser

Bovendien zijn de VS niet zo afhankelijk van de exporten. De Amerikaanse export is slechts 14 procent van het bbp. De toegevoegde waarde van de export voor de Amerikaanse economie is 12 procent van het bbp. Een grote klap in de wereldhandel zal daarom een te overzien effect hebben voor Amerika, ook structureel. (Ter illustratie: Nederland heeft veel meer te verliezen bij mogelijke handelsoorlogen. De Nederlandse exporten zijn 83 procent van het bbp, terwijl de toegevoegde waarde van de export in Nederland 32 procent van het bbp bedraagt. Het uitvoervolume is zo hoog ten opzichte van de toegevoegde waarde vanwege de wederuitvoer – de overslag in de Rotterdamse haven.)

Trump wil een muur bouwen op de grens met Mexico en andere maatregelen nemen om migratie te stoppen, vooral uit moslimlanden. Het tegengaan van migratie heeft echter beperkte effecten op economische groei.  Daarvoor is migratie kwantitatief niet belangrijk genoeg, niet in de VS en ook niet in Europa.

Bovendien neemt Trump ook een aantal maatregelen die de capaciteit van de Amerikaanse economie structureel vergroten. Hoewel het grootste deel van Trump’s belastingverlagingen zeer slecht is doordacht en zeer ongericht is, leidt het wel structureel tot meer arbeidsaanbod en grotere bedrijfsinvesteringen. Ook de investeringen in infrastructuur vergroten op lange termijn het aanbod in de Amerikaanse economie. Het is daarom best mogelijk dat de structurele economische schade van minder vrijhandel wordt gecompenseerd door de winst van meer bedrijfs- en publieke investeringen en een groter arbeidsaanbod.

Trump zal de financiële regulering door de Dodd-Frank Act geheel of gedeeltelijk terug gaan draaien. Ook dat is zeer slecht nieuws op lange termijn, want de financiële sector zou weer vrij spel kunnen krijgen. Een herhaling van de crash in 2008 wordt dan veel aannemelijker. Maar op korte termijn zal dit een hernieuwde krediet-gedreven bubbel in huizen- en vastgoedmarkten kunnen blazen en daarmee de economie fors kunnen aanzwengelen.

Klimaatverandering is volgens Trump een hoax. Trump zal daarom de milieumaatregelen van Obama terugdraaien (bv. de Clean Power Plan) en het klimaatakkoord van Parijs niet naleven. Hij wil ook de Amerikaanse kolenindustrie nieuw leven inblazen. Dat is allemaal een regelrechte ramp voor de planeet, maar op korte termijn ‘goed’ voor de Amerikaanse economie. Regulering voor het bedrijfsleven knelt niet langer. Kostbare investeringen in hernieuwbare energie hoeven niet te worden gedaan. En ten dode opgeschreven industrieën worden weer tot leven gewekt.

Hoewel de macro-economische crisisaanpak in de VS onmiskenbaar beter was dan in Europa, deelden in de VS de minder welgestelden onmiskenbaar minder in de vruchten daarvan. Zo berekende Emmanuel Saez juli dit jaar dat in 2015 de onderste 99 procent nog maar twee derde van het inkomensverlies tijdens de grote recessie heeft ingelopen, terwijl de top 1 procent volledig is hersteld. Met andere woorden, het crisisherstel is voor het grootste deel bij de allerrijksten terecht gekomen. Tussen 1993 en 2015 groeiden de inkomens van de onderste 99 procent met slechts 14,3 procent, terwijl de bovenste 1 procent zijn inkomen met 94,5 procent zag stijgen. De top 1 procent kreeg daarmee 52 procent van alle Amerikaanse economische groei in de periode 1993-2015. De mediane koopkracht is in de VS de afgelopen 30 jaar nauwelijks gestegen en staat nog steeds ruim onder het niveau van 2008.

In Europa (Nederland) zijn de inkomensverschillen weliswaar veel minder (nauwelijks) gegroeid, maar de inkomens zijn eveneens nauwelijks gestegen. Het resultaat in zowel de VS als in Europa en Nederland is dat een zeer grote meerderheid van de mensen nauwelijks enige economische vooruitgang heeft ervaren gedurende de afgelopen jaren. In de VS omdat de overheid weigerde iets te doen aan de obscene groei in de inkomensongelijkheid. In Europa en Nederland omdat overheden totaal faalden om deugdelijk macro-economisch beleid te voeren.

Iedereen die denkt dat Amerika onder Trump direct op een economische catastrofe afstevent, moet nog eens goed nadenken. Het is goed mogelijk – dit is geen voorspelling – dat Trump in de komende jaren de Amerikaanse economie een enorme boost gaat geven en daardoor op grote politieke steun kan blijven rekenen bij het grote publiek. Trump gaat doen wat de meeste beleidsmakers en politici in het ontwikkelde Westen systematisch hebben nagelaten: de economie aanjagen, werkgelegenheid creëren en de inkomens van mensen laten stijgen. De Amerikaanse economie kan zich waarschijnlijk bevrijden uit de liquiditeitsval en aan eindeloze stagnatie ontsnappen. Mensen en bedrijven kunnen weer economisch perspectief krijgen en zullen economische vooruitgang ervaren. Dat de inkomensongelijkheid nog verder gaat toenemen en de financiële sector weer gaat groeien, zullen Amerikanen misschien nog billijken zolang zij zelf – na decennia economische stagnatie – eindelijk wat economische voorspoed zullen ervaren. Maar de prijs is zeer hoog.

Trump wil hetzelfde doen als Adolf Hitler deed in de jaren 30. Hitler verwierf politieke steun onder de bevolking, onder andere vanwege zijn publieke investeringen in de Autobahn. Zie dit onderzoek van Voth en Voigtländer. De uitkomst van dat politieke experiment kennen we. Hierin schuilt het grootste gevaar: korte-termijn economische successen kunnen Trump de politieke wind in de zeilen geven en populisten kunnen wereldwijd dezelfde strategie gaan volgen als Trump. Dit kan voor grote schade zorgen op lange termijn door handelsoorlogen, onoplosbare klimaatproblemen, grote financiële instabiliteit, sterk groeiende inkomens- en vermogensongelijkheid, internationale asiel-, migratie en mensenrechtenverdragen die worden opgezegd, toenemende internationale en geopolitieke spanningen en virulent nationalisme en xenofobie.

John Adams — een van de founding fathers van de VS — noemde democratie de tirannie van de meerderheid. Als dat zo is, dan moeten we vrezen voor een tirannie van het populisme. De verkiezing van Trump — en misschien ben ik te pessimistisch — kan het einde inleiden van de liberale democratie zoals wij die nu kennen. De opgave voor politici en beleidsmakers is nog altijd om een herhaling van de geschiedenis van de Grote Depressie te voorkomen.

Written by basjacobs

13 november 2016 at 17:58

Geplaatst in economie

Tagged with , , ,

Samsom, Nijboer en een FD-artikel uit 2012

Bij de PvdA hebben ze in het FD-archief een stukje opgeduikeld waarin ik een reactie geef op het net gesloten regeerakkoord van Rutte 2 dat is ook rondgetwitterd door Henk Nijboer (financieel woordvoerder PvdA). Diederik Samsom heeft dit gister in de algemene politieke beschouwingen gebruikt om te doen alsof ik het kabinetsbeleid eigenlijk best wel goed vond. Geestig was dat iemand zich op Twitter afvroeg of de FD-archieven gehackt waren door iemand die mij een hak wilde zetten. Dat is niet het geval.

De achtergrond van mijn woorden was: ik wilde direct na zijn aantreden het kabinet het voordeel van de twijfel gunnen. Vandaar mijn – achteraf bezien – te milde woorden. Hoe dan ook, de kop boven het stuk (‘Rutte bezuinigt verstandig’) is suggestief en dekt bepaald niet hoe ik over Rutte 2 denk. Door Martin Visser wordt mij namelijk niet gevraagd of ik het goed vond om te bezuinigen. Want dan had ik gezegd dat dit niet verstandig was. Dat zei ik toen al en dat zeg ik nu nog steeds. Ik zeg in het stuk alleen dat, als je dan toch bezuinigt – niet doen dus – het verstandig is om dat niet te frontloaden, gezien de broze situatie in 2012. Ik kan me niet precies herinneren waar mijn kwalificatie ‘behoorlijk evenwichtig’ over het regeerakkoord op sloeg, maar ik vermoed dat het ging over de inkomenseffecten.

Hoe dan ook, als de PvdA wat meer archieven had open getrokken, of mijn website had bezocht, dan had ze best kunnen weten dat ik niet zo’n fan was van het regeerakkoord. En dat wisten natuurlijk ook zonder de archieven in te duiken. Zowel Diederik Samsom als Henk Nijboer heb ik sinds 2010 talloze malen persoonlijk laten weten dat ik uitermate kritisch ben over het door hen ondersteunde bezuinigingsbeleid.

Het FD-stukje is daarom een politieke actie van de PvdA: het neerschieten van de boodschapper van het slechte nieuws. Dat hebben we helaas eerder deze week gezien met het economisch bureau van ING. It’s nothing personal, it’s strictly politics, right?

Wat ik hieraan zorgelijk vind is dat ook de PvdA meegaat in de populistische tendens om de geloofwaardigheid van experts te ondermijnen voor politiek gewin. Maar ik begrijp heel goed dat de PvdA en de VVD het vervelend vinden dat ik (en ING) de goednieuwsshow een beetje kom verstoren, zo vlak voor de verkiezingen.

 

 

Ps. for the record, voor iedereen die echt wil weten hoe ik denk over het beleid inclusief het regeerakkoord van Rutte 2, een paar artikelen uit mijn eigen archief, vanaf 2011:

Jacobs, Bas (2011), “Met Alleen Hard Bezuinigen Komen We er Niet Bovenop”, Me Judice, 21 september 2011.

Bovenberg, A. Lans en Bas Jacobs (2012), “Akkoord is wel een Politiek, maar geen Onverdeeld Economisch Succes”, De Volkskrant, 28 april 2012.

Jacobs, Bas (2012), “Geen Enkele Partij Stelt een Verstandig Macroeconomisch Beleid Voor”, MeJudice, 10 september 2012.

Bovenberg, A. Lans en Bas Jacobs (2012), “Rutte-II Lost Balansproblemen Niet Op”, MeJudice, 2 november 2012.

Jacobs, Bas (2013), “De Blinde Vlekken van Rutte-2”, MeJudice, 17 januari 2013.

Jacobs, Bas (2013), “Regering nog Steeds Bezig met Economische Symptoombestrijding”, MeJudice, 19 september 2013.

Jacobs, Bas (2013), “Macro-Economische Politiek voor een Uitweg uit de Crisis (Deel-I)“, Economisch Statistische Berichten, 98, (4669), 576-578.

Jacobs, Bas (2013), “Macro-Economische Politiek voor een Uitweg uit de Crisis (Deel-II)“, Economisch Statische Berichten, 98, (4671), 636-639.

Jacobs, Bas (2015), “Wat Ze U niet Vertelden Gister”, NRC Handelsblad, 16 september 2015.

Written by basjacobs

22 september 2016 at 07:55

Geplaatst in economie

De rekening van Rutte

Vandaag is het Prinsjesdag. En de troonrede zal vermoedelijk bol staan van ronkende retoriek. De regering zal luid van de daken roepen: ‘herstel van de economische groei’, ‘teruglopend begrotingstekort’ en ‘daling van de werkloosheid’. Het beleid begint na ‘zware jaren’ eindelijk zijn ‘vruchten af te werpen’. En we zijn ‘sterker uit de crisis gekomen’. Helaas klopt er alleen weinig van dit verhaal.

Op de een of andere manier werkt het verkooppraatje al aardig. Zo wilde ik vrijdagavond weer eens mijn TV uit het raam gooien na het kijken van het NOS 8-uur Journaal. Rob Trip en Ron Fresen nemen al jaren – kennelijk onnadenkend – de frames van de regering over, zo ook vrijdag. Gelukkig zag ik later op de avond Hella Hueck bij Pauw, die een aantal terechte kanttekeningen plaatste bij het gevoerde beleid (en een mooie grafiek van mij liet zien – zie ook hieronder). Ik hoop dat ik vandaag veel goede, onafhankelijke journalisten zie en weinig napraters.

De economische voorspoed nu heeft nauwelijks iets te maken met het beleid van Rutte 2. Wat de regering vandaag ook gaat beweren. Reden: de regering heeft eigenlijk alleen maar beleid gevoerd dat het economisch herstel sinds 2012 heeft beschadigd. Heeft de regering dan helemaal niets goeds gedaan? Jawel, een aantal lange-termijnhervormingen doorvoeren. Echter, ook die hebben op korte termijn meestal wel pijn gedaan. Het zoet van het regeringsbeleid ligt daarom in de toekomst, terwijl bijna vijf jaar lang het leven economisch zuur was. En dát is het echte verhaal van Rutte 2.

Nederland heeft het economisch slecht gedaan

Het is natuurlijk prachtig dat we eindelijk weer wat groeien. Maar het permanente productieverlies van de Grote Recessie gedurende 2008-2016 is groot. Zie Figuur 1. De trendmatige groei was in de periode 1970-2007 bijna 2,6 procent per jaar (CBS, 2014). Deze groei is in de jaren vóór de crisis geflatteerd door schuldgedreven groei in huizen- en vastgoedmarkten. Maar zonder de Grote Recessie zou het Nederlandse bbp in de periode 2008-2016 met ongeveer 18 procent zijn gegroeid op basis van een relatief bescheiden trendmatige bbp-groei van 2 procent per jaar. Aangezien het bbp nu 2 procent bbp groter is dan in 2008, bedraagt het groeiverlies ten opzichte van de trendgroei ongeveer 16 procent van het bbp. Bij correcties voor de output gaps in 2007 en 2016 van +4,6 (door oververhitting vòòr de Grote Recessie) en -2,2 procent (door onderbesteding nu) (CPB, 2016), bedraagt het structurele bbp-verlies van de Grote Recessie circa 9 procent van het bbp. De inhaalgroei van circa 0,2 procent per jaar de komende jaren is verwaarloosbaar (CPB, 2016). Het overgrote deel van de 9 procent gemiste groei gaat daarmee structureel verloren. Dit zijn zeer sterke hysterese-effecten: tijdelijke economische schade die permanent wordt.

Figuur 1 – Grote blijvende economische schade vanwege de Grote Recessie

fig1_blog_prinsjesdag

Bronnen: CPB (2016) CEP, CPB (2016) k-MEV

De Nederlandse economie groeit nu weliswaar, maar die groei is, met naar schatting 1,7 procent in zowel 2016 als 2017, allesbehalve solide en overtuigend te noemen (CPB, 2016). Deze groei is ruim beneden historische gemiddelden, zelfs als we rekening houden met lagere structurele groei door de vergrijzing. Na 7 jaar crisis met een dubbeldiprecessie bereikte Nederland begin 2015 het inkomensniveau van 2008. Het is een beetje potsierlijk om nu juichverhalen over 1,7 procent groei af te steken. Sinds 2014 hadden groeicijfers van 3 à 4 procent per jaar meer in de rede gelegen om de enorme schade van de Grote Recessie wat in te lopen.

Nederland slaat ook internationaal al jaren een slecht figuur. Zie Figuur 2. Tussen 2008 en 2017 groeit het bbp van Nederlands’ belangrijkste handelspartners veel sneller: de VS met 10,2 procentpunt, het VK met 7,4 procentpunt, Duitsland met 5,0 procentpunt. Zelfs België en Frankrijk doen het beter met, respectievelijk, 3,5 procentpunt en 2,3 procentpunt meer bbp-groei. Nederland doet het in deze periode maar marginaal beter dan gemiddeld in de eurozone (0,4% bbp-punt) (OESO, 2016). Hoezo een overtuigend herstelverhaal?

De cijfers van de VS en het VK laten bovendien zien dat – ook in landen met grote bankencrises en geklapte huizenmarktbubbels – het goed mogelijk is om een groot deel van de gemiste groei in te lopen. Deze landen voerden gewoon een beter beleid dan wij: sanering en herkapitalisering van het bankwezen, het agressieve monetaire beleid en de (aanvankelijke) grote begrotingstekorten in de orde van 8-10% van het bbp.

Figuur 2 – Internationale vergelijking economische groei van Nederland en haar belangrijkste handelspartnersfig2_blog_prinsjesdagBron: OESO (2016)

Niet alleen in internationaal opzicht, ook in historisch opzicht is de economische groei van de afgelopen jaren teleurstellend. Zie ook Figuur 3. 8 jaar na 1929 – het begin van de Grote Depressie – groeide het bbp 5 procentpunt meer dan in de 8 jaar na 2008 (CBS, 2014; CPB, 2016; CPB, 2016). De Nederlandse economie groeit na de Grote Recessie dus langzamer dan na de Grote Depressie.

Figuur 3 – Historische vergelijking economische groei in Nederland met Grote Depressie en de jaren 80

fig3_blog_prinsjesdag

Bronnen: CPB (2016) CEP, CPB (2016) k-MEV, CBS (2015) Statline

Nederland is bovendien nog niet uit de problemen. Output gaps – die schatten hoeveel de feitelijke productie onder de potentiële productie ligt – laten zien dat er nog altijd forse onderbesteding bestaat in zowel 2016 als 2017: -2,2/-2,4/-2,8/-2,0% en –2,0/-1,6/-2,0/-1,0% (CPB, 2016/DNB 2016/IMF, 2016/OESO, 2016). Hoewel de onderbesteding – net als de werkloosheid zichtbaar terug loopt – raamt het CPB (2016) dat onderbesteding tot 2021 blijft aanhouden. Zie ook Figuur 4.

Figuur 4 – Nederland kampt nog altijd met forse onderbesteding

fig4_blog_prinsjesdag

Bronnen: CPB (2016) MLT, IMF (2016) WEO, OESO (2016) EO

Hoewel de werkloosheid inderdaad gestaag afneemt, blijft deze hoog en wordt in 2016 en 2017 geraamd op 6,5 procent van de beroepsbevolking (CPB, 2016), nog ruim boven de structurele werkloosheid van 5 procent (CPB, 2016).

Ondanks alle verwoede pogingen om (hypotheek)schulden af te lossen, zijn private schulden niet gedaald, maar zelfs gestegen van 216% bbp in 2008 tot 229% bbp begin 2016 (CBS, 2016). Zie ook Figuur 5. Het aantal huiseigenaren met een negatief eigen vermogen in de eigen woning daalt wel aanzienlijk door de huizenprijsstijgingen, maar staat anno 2016 nog wel op ruim 25% (DNB, 2016). De dekkingsgraden van de Nederlandse pensioenfondsen zijn sinds 2008 sterk verslechterd en blijven nog steeds onder de 100% hangen (in juni 2016: 97%; DNB, 2016).

En ondanks enorme bezuinigingen en lastenverzwaringen is de overheidsschuld alleen maar gestegen van 55% bbp in 2008 tot 68% bbp in 2014. De overheidsschuld neemt daarna af tot 62% bbp in 2017 – mede dankzij de privatisering van ABN AMRO en schatkistbankieren en het feit dat er eindelijk weer wat groei is (CPB, 2016; CPB, 2016).

 Figuur 5 – Schuldafbouw grotendeels mislukt

fig5_blog_prinsjesdag Bronnen: CPB (2016) k-MEV, CBS (2016)

Effecten Rutte 2 op korte termijn

Het gevoerde begrotingsbeleid heeft de groei zeer sterk vertraagd. Diverse regeringen onder leiding van Mark Rutte hebben jarenlang bezuinigd en de belastingen verhoogd. Zie Figuur 6. In totaal is voor zo’n 47 mrd euro (6,7% bbp) aan tekortreducerende maatregelen genomen, waarvan 2/3 bezuinigingen en 1/3 lastenverzwaringen.

Figuur 6 – Pakketten van lastenverzwaring en bezuinigingen 2011-2017

fig6b_blog_prinsjesdagfig6b_blog_prinsjesdag

Bron: Suyker (2015)

Het begrotingsbeleid heeft zijn uitwerking op de economie niet gemist. Cijfers van het CPB tonen aan dat het begrotingsbeleid van de regeringen Rutte 1 en 2 een derde van de Grote Recessie hebben veroorzaakt (Jacobs, 2015). Van de 16 procent bbp gemiste bbp-groei sinds 2008 kan circa 5,5-6 procent bbp groeiverlies op conto worden geschreven van het begrotingsbeleid. En dat is bij redelijk conservatieve inschattingen van de begrotingsmultiplier. Het echte verlies is daarom mogelijk nog groter. Het groeiverlies is volgens CPB cijfers gepaard gegaan met zo’n 5% minder werkgelegenheid (Jacobs, 2016). Dat komt neer op ongeveer 365.000 banen. Het vervelende is dat het tijdelijke groeiverlies – naar het zich nu laat aanzien – de economie permanent armer heeft gemaakt (hysterese).

Met het (korte-termijn)begrotingsbeleid is schade toegebracht aan de overheidsfinanciën. En dat zal in schril contrast staan met wat de regering op Prinsjesdag zal verkondigen. Elders laat ik zien dat, wanneer geen van de bezuinigingen of lastenverwaringen was doorgegaan, de staatsschuld met een kleine 5% van het bbp was gestegen (Jacobs, 2015). Daarover zou de overheid zo’n 600 mln meer rente per jaar hebben betaald. Echter, we hadden ook een 5,5-6% grotere economie gehad. Dat is zo’n 40 miljard euro meer inkomen. De overheid had dan ieder jaar een slordige 15 miljard euro meer belastinginkomsten gehad. Als de overheid niets had gedaan, had ze daarom na drie jaar net zoveel extra geld gehad als de opbrengst van alle bezuinigingen en lastenverzwaringen in 2011-2017. Ongeveer de helft van de winst van alle maatregelen om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn te verbeteren (verhoging AOW-leeftijd, decentralisatie zorg, beperking hypotheekrenteaftrek, etc.) is in rook opgegaan door het begrotingsbeleid. De maatschappelijke kosten-batenanalyse van de schuldpolitiek onder Rutte toont aan dat het gevoerde begrotingsbeleid economisch bezien volkomen mesjogge is geweest.

Het straffe begrotingsbeleid had ook helemaal niet gehoeven. De Nederlandse overheid betaalt nu ongeveer nul rente op tienjaars staatsleningen. De obligatierente is in 500 jaar nooit zo laag geweest, sinds de Nederlandse staat begon met uitgeven van obligaties. De rentelasten op de staatsschuld zijn in procenten van het bbp in 200 jaar niet zo laag geweest, en dat is alleen omdat de cijfers niet verder teruggaan. Zie Figuur 7. De overheidsfinanciën vertoonden een houdbaarheidsoverschot door de structurele hervormingen van Rutte 2 (CPB, 2012). Om houdbare overheidsfinanciën te krijgen was het onnodig, om naast alle structurele hervormingen, ook nog eens hard het mes te zetten in de overheidsuitgaven of de belastingen te verhogen.

Figuur 7 – Overheidsschuld en rentelasten 1814-2017

fig7_blog_prinsjesdagBron: CPB (2015)

De hervormingen van Rutte 2

Heeft Rutte 2 dan niets goed gedaan? Jawel, ze kan een paar lange-termijnsuccessen claimen. De ingrepen op de woningmarkt – de beperking van de hypotheekrenteaftrek en het verlagen van de maximale loan-to-value ratios  – zijn wenselijk zijn op de lange termijn. Dat geldt overigens niet voor de verplichte aflossing van hypotheken. Mensen worden nu gedwongen om nog meer te sparen. Beter was om de renteaftrek sneller af te bouwen. Ook lopen de huren nu meer in pas met de prijsontwikkeling op de koopmarkt. Hoewel op veel onderdelen de hervorming van de woningmarkt wenselijk is op lange termijn, is het natuurlijk niet zo dat die ingrepen op korte termijn de woningmarkt hebben geholpen. Sterker, alle maatregelen hebben de woningmarkt op korte termijn een extra duw neerwaarts gegeven. Dit had de regering kunnen opvangen met extra begrotingsstimulansen, zoals lastenverlichting, maar dat is alleen niet gebeurd.

De versnelde verhoging van de AOW-leeftijd is prima. (Balkenende-IV had al had besloten tot verhoging van de AOW-leeftijd.) Daarvan plukken we op de lange termijn de vruchten van meer belastinginkomsten en lagere overheidsuitgaven omdat mensen langer blijven werken, maar zonder dat het nu direct tot enorme economische consequenties leidt.

De hervorming van de langdurige zorg – decentralisatie naar de gemeenten – kan helpen om de kosten op de lange termijn te beheersen. Ik heb te weinig verstand van de zorg om te beoordelen hoe deze hervorming uitpakt voor betrokkenen. Hoe dan ook, ook bij deze hervorming geldt dat er weliswaar op lange termijn winsten worden behaald voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën en mogelijk ook meer zorg op maat kan worden geleverd. Maar het is zonneklaar dat op de korte termijn sterk is bezuinigd op de langdurige zorg. Dat heeft de economie op korte termijn schade toegebracht.

Hervormingen van de arbeidsmarktbeleid zijn deels mislukt. Flexwerk is wel vaster geworden maar vast werk niet flexibeler. Daardoor raken kwetsbare werknemers sneller hun baan kwijt in plaats van sneller een vaste baan te krijgen. Daarnaast is de maximale WW-duur versoberd tot 24 maanden en kent het ontslagrecht nog maar een ontslagroute.

Ook de hervormingen van de aanvullende pensioenen zijn niet gelukt. We hebben al sinds 2009 aanzienlijke dekkingsproblemen bij de pensioenfondsen en sinds 2010 discussies over het pensioenstelsel. Ook deze regering heeft de hete aardappel doorgeschoven naar een volgende regering.

De financiële sector is eveneens onvoldoende hervormd. De kredietgroei aan het Nederlandse MKB is nog steeds negatief (CPB, 2016). Hoewel de kapitaaleisen wat zijn toegenomen zijn ze nog steeds (belachelijk) laag. Als de regering in Europa had getamboereerd op hogere kapitaaleisen in plaats van hardere begrotingsregels, dan had ze de economie en Europa een veel grotere dienst bewezen. De fiscale prikkels voor schuldfinanciering zijn evenmin weggenomen. Het fiscale stelsel bevordert nog altijd op grootschalige wijze schuldfinanciering van bedrijven via de renteaftrek in de vpb en van huishoudens via de hypotheekrenteaftrek.

Het bankwezen is nog steeds te groot om te falen met een omvang van zo’n vier maal het bbp. Een belangrijk deel van het economische herstel komt bovendien weer door schuld-gedreven groei in huizen- en vastgoedmarkten. De dodelijke omhelzing tussen banken en overheden is niet doorbroken in veel Europese landen. De bankenunie is niet af want er is geen budgettaire achtervang voor bankreddingen en een Europees depositogarantiestelsel ontbreekt. Bovendien kampt het Europese bankwezen nog steeds met zombiebanken die moeten worden gesaneerd en geherkapitaliseerd.

We hebben dit jaar 5 mld lastenverlichting gekregen – wat op zich prima te verdedigen is. Sterker, dit jaar pakt de begroting door de lastenverlichting bijna neutraal uit voor de economie: een hele kleine netto bezuiniging resteert, zie ook Figuur 6. En zie daar: de economie groeit weer wat. Het voelt dus best goed om, na jarenlang met het hoofd op de muur te bonken, daarmee op te houden. Helaas was er geen belastinghervorming.

De rekening van Rutte is hoog

De regering heeft stelselmatig de verkeerde diagnose gesteld: dat problemen in Nederland kwamen door de overheidsfinanciën en de economische structuur. Het beleidsrecept was daarom bezuinigen en hervormen. De juiste diagnose was echter: we hebben een balansrecessie met bijbehorende vraaguitval. De oplossing had moeten zijn: laat de private sector zijn balansen herstellen, saneer en herkapitaliseer de banken, los de hypotheek- en pensioenproblemen op, en ondersteun intussen de private sector met een ruimhartig begrotingsbeleid. De regering heeft echter grotendeels aan symptoombestrijding gedaan: terugdringing van het begrotingstekort. Het begrotingsbeleid heeft de recessie onnodig verdiept. De regering heeft al haar politieke kapitaal geïnvesteerd in structurele hervormingen en budgettaire orthodoxie, ook in Europa. Daardoor heeft ze de oorzaken van de Grote Recessie – fundamentele problemen in de financiële architectuur van Nederland – maar voor een deel weggenomen. Banken waren levensgevaarlijk, maar zijn nog steeds gevaarlijk. De woningmarkt is een beetje hervormd, maar hypotheekrenteaftrek staat nog steeds overeind. De problemen met de aanvullende pensioenen zijn niet opgelost, maar doorgeschoven naar een volgende regering. Tegelijkertijd zijn de private schulden verder opgelopen en de publieke schulden nauwelijks gedaald. Door falend macro-economisch beleid zijn vele procenten bbp-groei en ettelijke honderdduizenden banen gemist. Wie terugkijkt op de afgelopen jaren, kan daarom maar één conclusie trekken: de rekening van Rutte is te hoog geweest.

Written by basjacobs

19 september 2016 at 23:12

ING heeft gelijk: overheidsbeleid in de periode 2011-2017 kostte volgens het CPB ongeveer 365.000 banen

Deze week kwam ING met een mooi rapport met een terugblik op de afgelopen jaren. Ze betoogden dat structurele hervormingen de economie hadden versterkt. Maar ook dat het begrotingsbeleid onnodig kostbaar was en daarmee onnodig veel werkloosheid heeft veroorzaakt.

Een aantal economen was er als de kippen bij om ING af te branden. Ook Minister Dijsselbloem reageerde als door een adder gebeten: “Een hele slechte analyse”, oordeelde hij over het ING-rapport in het FD. Een beetje dom, als je het mij vraagt. De regering probeert in de aantocht naar de verkiezingen met man en macht het economisch herstel van de Nederlandse economie toe te schrijven aan haar beleid. Ten onrechte, want het regeringsbeleid heeft weliswaar op lange termijn een aantal zaken verbeterd (AOW, huizenmarkt, zorg), maar vooral op korte termijn veel onnodige economische schade aangericht.

Hoeveel banen hebben de plannen van diverse regeringen eigenlijk gekost? Dat was de steen des aanstoots. Schattingen voor het werkgelegenheidsverlies zijn beschikbaar in de CPB-doorrekeningen van de diverse regeerakkoorden en tussentijdse begrotingspakketten. Eerder schatten Wim Suyker van het CPB en de Studiegroep Begrotingsruimte (p.19) op basis van deze cijfers dat het Nederlandse begrotingsbeleid zo’n 5% aan bbp-groei heeft gekost tussen 2011-2017 – en dat is exclusief de afbouw van het crisispakket van Balkenende-IV dat in ‘het basispad’ is verwerkt.

Op dezelfde wijze kunnen we berekenen, op basis van dezelfde CPB-ramingen, hoeveel banen naar schatting gemoeid zijn geweest met het gevoerde beleid. Die berekening heb ik gemaakt in de volgende tabel. In deze Excel-sheet staan de berekeningen plus de verwijzingen naar alle bronnen voor de cijfers.*

schade_werkgelegenheid

Het CPB schat dat er ongeveer 5,2% minder werkgelegenheid is gecreëerd vanwege het gevoerde regeringsbeleid sinds 2011. Dit is ongeveer gelijk aan de afname van de groei van het bbp gedurende diezelfde periode. De afname van de werkgelegenheid komt overeen met zo’n 365.000 voltijdsbanen. Van die 5,2% geschatte daling van werkgelegenheid kan 2,2% op conto worden geschreven van het beleid tijdens Rutte 2, gelijk aan ongeveer 155.00 minder banen.

Natuurlijk moeten deze schattingen met grote voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Het zijn ramingen die door het CPB worden gemaakt op basis van haar modellen. Over de modelaannames is discussie mogelijk. Ook kan de schatting zijn vertekend door afrondingsverschillen. Maar dat gezegd hebbende, lijkt het me onwaarschijnlijk dat andere ramingsmethoden effecten zouden opleveren die van een totaal andere orde van grootte zouden zijn.

Het economisch bureau van ING heeft daarom gelijk. Zij concludeerden: ‘Al met al kostte het snijden in overheidsuitgaven waarschijnlijk een paar honderdduizend banen’. Die conclusie is terecht voorzichtig gezien de onzekerheden rondom dergelijke inschattingen, maar wordt volledig ondersteund door cijfers van het CPB.

Het is daarom treurig als de Minister van Financiën de boodschapper van het slechte nieuws probeert neer te schieten en de schade van het regeringsbeleid voor de Nederlandse werkgelegenheid bagatelliseert.

 

*Aangezien het CPB sinds het CEP 2016 niet langer meer het arbeidsvolume in personen meet, maar alleen nog het arbeidsvolume in uren, heb ik de volume-effecten in uren weer omgerekend naar arbeidsvolume in personen met behulp van de deeltijdfactor uit de MEV 2016 van 2015. Daarbij heb ik een schatting gemaakt van de deeltijdfactor voor 2017, aangezien ik daarvan geen cijfer heb kunnen vinden. Die schatting heb ik op het gemiddelde gesteld van de deeltijdfactor in de jaren 2011-2016.

Written by basjacobs

17 september 2016 at 10:34

Overheid heeft met falend begrotingsbeleid een derde van de Grote Recessie veroorzaakt

De discussie over de multipliers laat zien dat het debat over het begrotingsbeleid in Nederland nog niet is uitgedoofd. Eerder deze week publiceerde Wim Suyker een mooie presentatie op de CPB-website. Het CPB geeft daarin voor het eerst een schatting van de economische schade van het gevoerde begrotingsbeleid in Nederland, zie slide 12. Op basis van zijn cijfers kom ik tot een cumulatieve schade van 5,1 procent minder bbp voor de periode 2011-2017 vanwege het gevoerde begrotingsbeleid. Zie de tabel voor de berekening.

cpb_tabel_suyker

Echter in deze tabel ontbreken nog twee zaken, want – zo staat in de voetnoot van de tabel op slide 12 – ‘eerdere pakketten zijn in het basispad verwerkt’: de afbouw van het crisis- en herstelpakket van Balkenende-IV en de ombuigingen uit het aanvullend beleidsakkoord. Zie hier voor Wim Suyker’s overzicht van alle bezuinigingen en lastenverzwaringen gedurende de periode 2011-2017. Beide zijn samen goed voor 5 miljard euro, oftewel zo’n 0,8 procent van het bbp in 2011.

De kosten van het verkleinen van het begrotingstekort in Nederland in de periode 2011-2017 zijn daarom naar mijn inschatting 5,8-5,9 procent van het bbp op basis van multipliers in het CPB Saffier-model. De Nederlandse begrotingsmultiplier – belastingen en uitgaven samen – is daarmee gemiddeld over 2011-2017 ongeveer 0,9 geweest.

Deze CPB-cijfers verschillen van mijn eerdere sigarendoosberekening van de schade door tekortreductie. Ik kwam op mogelijk 7,5 procent bbp-verlies door het begrotingsbeleid. Daar kunnen allerlei redenen voor zijn: afrondingsverschillen (effecten bezuinigingen op groeicijfers afgerond op tienden, bezuinigingen/lastenverzwaringen afgerond op hele miljarden) en multipliers die niet van toepassing hoeven te zijn (bv. bezuinigingen op ontwikkelingshulp). Maar de belangrijkste verklaring is dat ik van dik hout planken heb gezaagd op basis van de gegevens die ik had en het simpele model dat ik gebruikte. Mijn som moest daarom met zeer grote voorzichtigheid worden geïnterpreteerd — zoals ik ook duidelijk aangaf. Ik ben achteraf toch verrast dat ik behoorlijk in de buurt kwam. Hoe dan ook, mijn sigarendoos kan in de vuilnisbak. De cijfers van het CPB zijn de beste inschatting tot nu toe.*

De cijfers van het CPB zijn – bij mijn beste weten – de eerste officiële getallen die we hebben van de totale schade van het Nederlandse begrotingsbeleid tijdens de Grote Recessie. En dus kunnen we een discussie voeren of dit beleid het waard was of niet.

We kunnen concluderen dat ruwweg een derde van de gemiste groei in Nederland tussen 2011-2017 van ongeveer 15 procent bbp op het gevoerde begrotingsbeleid is terug te voeren — zie ook de figuur hieronder. De overige twee derde is terug te voeren op allerlei andere zaken, zoals de huizenmarkt, de pensioenen, de banken en de Eurocrisis. Is hiermee de economie ‘kapot’ bezuinigd? Nee. Het inkomen is 6 procent lager dan het was geweest zonder het begrotingsbeleid. Nederland is daarmee nog steeds een zeer welvarend land.

Maar de prijs die Nederland heeft betaald voor haar budgettaire orthodoxie is toch gigantisch. Ga maar na: als we die 5,5-6 procent van het inkomen voor altijd kwijt zijn geraakt – en daar heeft het momenteel alle schijn van – dan missen we ieder jaar weer zo’n 37-40 miljard euro aan inkomen bij een bbp van circa 680 miljard in 2015. Het kan natuurlijk altijd zijn dat het inkomensverlies niet volledig permanent wordt. Maar dan moet de economie snel inhaalgroei gaan vertonen. Dat kan nog steeds gebeuren, maar zeker is het allerminst. Op dit moment zien we daar nog weinig van. Zie onderstaande figuur op basis van de MEV.

prijs_grote_recessie

Stel dat de hele cumulatieve bezuiniging van 6,5 procent van het bbp niet was doorgegaan. Dan was de economie niet met 5,5-6 procent gekrompen. De overheid had dan ongeveer 2-2,5 procent bbp meer inkomsten gehad. Aan de overheid valt ongeveer 37 procent van het bbp toe via de belastingen, zie CPB. Dit had geleid tot een nettostijging van de staatsschuld met ongeveer 4,3 procent van het bbp. De rentelasten waren dan met zo’n 6 procent groter geworden. Dat is een stijging van de jaarlijkse rentelasten voor de overheid met ongeveer 600 miljoen euro per jaar bij de gemiddelde rente van zo’n 2 procent per jaar over de uitstaande staatsschuld. De rente op de meest recent uitgegeven obligaties is nog lager. De rente op overheidsobligaties zou niet zijn gestegen want de kredietwaardigheid van de Nederlandse overheid zou nooit zijn aangetast bij 4,3 procent bbp meer staatsschuld.

Ongeveer 50 procent van de overheidsobligaties is bovendien in binnenlandse handen, bijvoorbeeld bij beleggers, pensioenfondsen, banken en verzekeraars. De rest is in handen van het buitenland. Zie ook deze gegevens van het CBS. Dat betekent dat van de 600 miljoen euro die de overheid minder aan rente betaalt, ook 300 miljoen minder wordt uitgekeerd aan binnenlandse obligatiehouders. De besparing voor de Nederlandse economie van lagere rentelasten op de overheidsschuld is daarmee 300 miljoen euro.

De winst van 300 miljoen euro per jaar aan lagere rente-uitgaven op de uitstaande staatsschuld staat in zeer schril contrast met het structurele inkomensverlies voor onze hele economie. Wanneer alle inkomensverlies permanent zou worden, dan verliest Nederland zo’n 40 miljard euro aan inkomen, ieder jaar weer.

Deze simpele cijfers — jaarlijks maximaal 300 miljoen lagere rentelasten voor Nederland tegenover jaarlijks mogelijk 40 miljard minder inkomen voor de publieke en private sector samen — laten zien dat het begrotingsbeleid krankzinnig kostbaar was.

En de overheid heeft zichzelf met het begrotingsbeleid grandioos in de voet geschoten. De overheid hoeft 600 miljoen minder rente te betalen, maar loopt wel ieder jaar ongeveer 15 miljard euro aan inkomsten mis als alle schade aan de economie permanent zou worden. Met andere woorden: het begrotingstekort is door de lagere rentelasten met maximaal 0,1 procent bbp gedaald, terwijl het tekort ieder jaar ongeveer met 2-2,5 procent bbp toenam door de lagere belastinginkomsten. Die verslechtering van het begrotingstekort is gelijk aan bijna de helft van de houdbaarheidswinst van alle hervormingen die Nederlandse regeringen hebben doorgevoerd sinds Balkendende-IV. Denk aan de hogere AOW-leeftijd. Denk aan de ingrepen in de hypotheekrenteaftrek. Denk aan de decentralisatie van de zorg. De helft van de winst van die hervormingen zou dan door onverstandig begrotingsbeleid in rook zijn opgegaan.

Stel dat we structureel 5,5-6 procent meer werkgelegenheid hadden gehad. Dat zijn ongeveer 385.000-420.000 voltijdsbanen meer op de 7 miljoen arbeidsjaren die we nu aan werkgelegenheid hebben hebben, zie het CPB. Wiebes wilde met zijn belastingplan structureel 100.000 banen creëren. Daar kwam niets van terecht. Dat worden er — als we geluk hebben en de Eerste Kamer instemt — 35.000. Dat is ongeveer een tiende van de werkgelegenheid die we mogelijk mislopen door falend macro-economisch management door alle overheden sinds 2011. Een beter begrotingsbeleid was een superieur recept voor meer banen geweest. Het is alleen niet gebeurd.

De grote vraag is: hoe permanent wordt de schade van de Grote Recessie aan onze economie? Met andere woorden: hoe sterk is hysterese? Dat antwoord kunnen we nog niet precies weten, maar is cruciaal voor de vraag hoe kostbaar het het begrotingsbeleid van 2011-2017 is geweest. Bovenstaande cijfers waren gebaseerd op de aanname dat alle schade permanent zou worden. In de volgende tabel laat ik zien hoe de maatschappelijke kosten-batenanalyse van het begrotingsbeleid heeft uitgepakt bij andere multipliers en andere hysteresecoëfficienten. De tabel analyseert de kosten en baten van het niet laten doorgaan van de gehele 6,5 procent bbp aan bezuinigingen en lastenverzwaringen. Zie hier de Excel-sheet.

mkba_begrotingsbeleid

De conclusie dat het begrotingsbeleid Nederland sterk heeft verarmd geldt onverkort wanneer de Nederlandse economie drie kwart, de helft of zelfs maar een kwart van het inkomen structureel zou zijn verloren. Zie de tabel, middelste kolom.  Nederland verliest dan geen 40 miljard euro per jaar, maar respectievelijk 30, 20 of 10 miljard euro per jaar, netto. De som wordt dan: jaarlijks 300 miljoen lagere rentelasten tegenover een inkomensverlies van 30, 20 of 10 miljard euro.

En de conclusie geldt ook onverkort als de rente op de staatsschuld tweemaal (4 procent) of driemaal (6 procent) hoger zou zijn geweest. De maatschapelijke baten van lagere rentelasten op de staatsschuld waren dan geen 300 miljoen, maar 600 of 900 miljoen euro. Dit valt allemaal in het niet bij het inkomensverlies van tientallen miljaren euro’s.

En de conclusies gelden ook wanneer de multiplier geen 0,9 maar 0,6 zou zijn geweest. De maatschappelijke verliezen van het begrotingsbeleid zouden dan oplopen van 6 miljard euro per jaar (25 procent hysterese) tot 26 miljard euro per jaar (100 procent hysterese). En de conclusies worden nog schrikbarender wanneer de multipliers hoger zouden zijn dan de 0,9 die het CPB heeft aangenomen in haar sommen. Dit is aannemelijk in een balansrecessie en een bindende nulondergrens op de rente.

Op basis van de beste huidige inzichten kan daarom een pijnlijke conclusie worden getrokken: het Nederlandse begrotingsbeleid van 2011-2017 is extreem kostbaar geweest. Het gevoerde beleid kost bij huidige inzichten zo’n 20-30 miljard euro per jaar aan gemiste groei wanneer de schade van de grote recessie voor de helft tot driekwart permanent wordt. Zo’n inkomensverlies is het equivalent van zo’n 200.000 tot 300.000 banen. En dat op een rentebesparing van ongeveer 300 miljoen euro per jaar voor de hele economie.

Het Nederlandse begrotingsbeleid werd alle jaren geschraagd door een diep gewortelde consensus onder alle ‘verantwoordelijke’ politieke partijen: VVD, PVV, PvdA, CDA, D66, GroenLinks, CU en SGP. Deze partijen hebben mesjogge begrotingsbeleid gevoerd dat een derde van de Grote Recessie in Nederland heeft veroorzaakt. Het heeft er alle schijn van dat het overgrote deel van het inkomensverlies structureel is geworden (hysterese). En dat terwijl we een macro-economisch verwaarloosbaar voordeel hebben behaald van lagere rentelasten op de staatsschuld. Het is tragisch dat we de lessen van de geschiedenis niet hebben geleerd en sinds 2011 in volle glorie de fouten van de jaren 30 hebben herhaald.

 

* Overigens kunnen ook bij de CPB-sommen vraagtekens worden gezet. Het CPB heeft haar ramingen gemaakt op basis van het Saffier-model. Het kan goed zijn dat de schade groter was de afgelopen jaren. Het CPB heeft toegegeven de schade van bezuinigingen en lastenverzwaringen te hebben onderschat. Zie hier in het CEP van 2013 (sectie 1.2). Ook blijkt het Saffier-model toch wel een merkwaardige eigenschap te hebben: de multipliers lijken door de tijd heen wat groter te worden, groter dan 1, in plaats van kleiner. Meer onderzoek met andere (nieuwe?) macro-modellen is daarom nog steeds nodig. De kosten van het begrotingsbeleid tijdens de Grote Recessie kunnen daarom best hoger uitvallen.

Written by basjacobs

26 november 2015 at 17:38

Geplaatst in economie

Het CPB rijdt een scheve schaats over de multiplier (deel 2)

De Nederlandse overheid voert een naoorlogs record aan bezuinigingen en lastenverzwaringen door in de periode 2011-2017. Het gaat om in totaal 6,5 procent van het bbp aan tekortreductie, waarvan 4,4 procent bbp bezuinigingen en 2,1 procent bbp lastenverzwaringen. En dat is inclusief de 5 miljard lastenverlichting die voor 2016 gepland is, maar niet hoeft door te gaan. Criticasters menen dat dit beleid onnodig grote schade heeft opgeleverd aan de Nederlandse economie. Verdedigers van dit beleid zeggen dat het allemaal wel meevalt en dat van ‘kapot bezuinigen’ geen sprake is. Maar hoe schadelijk is tekortreductie voor de economische groei? Dat is de vraag die de gemoederen nog altijd hevig bezig houdt.

Vorige week publiceerde het CPB een studie waarin ze de beroemde IMF-studie van Blanchard en Leigh (2013) overdeden en uitbreidden naar latere jaren. Zie ook de uitleg in mijn vorige blog. Het IMF had de schade van bezuinigingen in de jaren 2009-2011 sterk onderschat. Ze concludeerden daaruit dat de begrotingsmultipliers veel groter waren dan in de modellen waarmee het IMF de ramingen deed.

Het CPB reproduceerde de cijfers van Blanchard en Leigh voor de jaren 2009-2011. Maar voor de jaren 2013-2015 vindt het CPB dat de schade van bezuinigen niet groter was dan het IMF raamde. Aangezien de ramingsfouten kleiner zijn geworden in de jaren 2013-2015, concludeerde het CPB dat de multiplier weer kleiner is geworden. De saillante beleidsconclusie uit het CPB onderzoek is dan dat het dus allemaal wel meeviel met de schade van tekortreductie door onze overheid in de jaren vanaf 2012.

Ik schreef een kritische blog. Het CPB onderzoek was prima. Alleen de interpretatie was dat niet. Mijn conclusie was:

Het IMF heeft toegegeven dat hun modellen de schade van bezuinigingen en lastenverzwaringen stelselmatig hebben onderschat. Het zou mij dan niet verbazen als de multipliers in de ramingen in latere jaren naar boven zijn bijgesteld. En als dat zo is, dan worden vanzelf de ramingsfouten van het IMF kleiner. Zoals ook het CPB schrijft: ‘it [the absence of a forecast error, BJ] could also indicate learning by IMF forecasters’. Een kleinere ramingsfout zegt daarom op zich niets over de omvang van de multiplier. Conclusie: het zou best kunnen zijn dat schade van tekortreductie kleiner is geworden in de latere jaren. Maar op basis van het CPB-onderzoek kan deze conclusie niet worden getrokken. De CPB-onderzoekers moeten daarom helderheid verschaffen over welke multipliers zijn gebruikt in de IMF-ramingen voor de latere jaren. Zolang dat niet gebeurt, kunnen we niets leren over de multiplier.

Mathijs Bouman en Frank Kalshoven waren er als de kippen bij om het CPB in hun columns gelijk te geven, daarbij met gretigheid verwijzend naar de term ‘kapotbezuinigen’. Bouman schrijft in een column met de titel ‘CPB herhaalt spraakmakend IMF-onderzoek en ontdekt dat Europa zich toch niet kapot bezuinigdehet volgende:

Konden economen tijdens de eurocrisis beter voorspellen, zodat de fouten toen minder groot waren? Dat zou in principe kunnen, en dat is ook de verklaring die econoom Bas Jacobs van de Erasmus Universiteit in een kritisch artikel op internet geeft. Maar er is geen bewijs te vinden dat het IMF na het Blanchard-onderzoek zijn modellen en methodes fundamenteel heeft aangepast. Het CPB zelf kiest dan ook voor een andere reden: bezuinigen tijdens een crisis is soms slechter voor de economie dan je zou denken, zoals tijdens de kredietcrisis van 2009-2010. Maar soms ook niet, zoals tijdens de eurocrisis. Het nieuwe IMF-mantra verdient een forse nuancering. Wie vertelt het Lagarde?

Frank Kalshoven schrijft op dezelfde dag: Wat blijkt? Na 2011 is de kracht van het tekort weer normaal: de toverdrank [budgettaire expansie – BJ] is uitgewerkt. Die werkt alleen in zeer diepe crises. Iedereen overtuigd? Nee. Econoom Bas Jacobs schrijft in een eerste reactie dat het CPB het bij het verkeerde eind moet hebben. Het IMF zal toch de superkracht van de tekorten wel in de modellen verwerkt hebben? Logisch dat je dan geen systematische voorspelfouten meer vindt in latere jaren. ‘Scheve schaats’, oordeelt hij. Maar dat is te snel geconcludeerd. Desgevraagd zegt een van de CPB-auteurs: ‘Wij hebben geen aanwijzing dat het IMF de multipliers die de landendesks gebruiken om tot hun raming te komen, hebben aangepast.’ Rechte schaats dus.

Bouman noch Kalshoven deed navraag bij het IMF of de multipliers daadwerkelijk groter waren geworden in de ramingen. Ook het CPB vond het niet nodig om naar aanleiding van mijn kritische opmerkingen voor de zekerheid toch even te checken bij het IMF. Wim Suyker – een van de auteurs van de CPB studie – liet mij exact hetzelfde weten als aan Bouman en Kalshoven. Ik was verbaasd door de grote stelligheid van Wim Suyker: ‘Ik lees niet elke regel gepubliceerd door het IMF, maar zo’n publicatie zou mij niet zijn ontgaan.’ Het CPB volhardde dus in haar conclusie op basis van de nog altijd niet-geverifieerde veronderstelling dat het IMF haar modellen niet had aangepast. Ik was niet direct overtuigd. Waren de multipliers in de IMF-ramingen nu wel of niet aangepast?

Ik ben dus zelf maar op onderzoek uitgegaan. Chris Mooiweer was zo vriendelijk – grote dank! – om mij via Twitter te wijzen op dit afscheidsinterview op de IMF-site met Olivier Blanchard, hoofdeconoom van het IMF en auteur van de genoemde multiplierstudie. Blanchard zegt daarin:

It would have been intellectually irresponsible, and politically unwise, to pretend that the crisis did not change our views about the way the economy works. Credibility would have been lost. So, rethinking, or pushing the envelope was not a choice, but a necessity. … The issue I have been struck by is how to indicate a change of views without triggering headlines of “mistakes,” “Fund incompetence,” and so on. Here, I am thinking of fiscal multipliers. The underestimation of the drag on output from fiscal consolidation was not a “mistake” in the way people think of mistakes, e.g., mixing up two cells in an excel sheet. It was based on a substantial amount of prior evidence, but evidence which turned out to be misleading in an environment where interest rates are close to zero and monetary policy cannot offset the negative effects of budget cuts. We got a lot of flak for admitting the underestimation, and I suspect we shall continue to get more flak in the future. But, at the same time, I believe that we, the Fund, substantially increased our credibility, and used better assumptions later on. It was painful, but it was useful. [mijn nadruk – BJ]

Met andere woorden: Blanchard zegt dat het IMF haar multipliers heeft aangepast in de ramingen. Ik heb dit bij Olivier Blanchard per e-mail nog eens nagevraagd om het echt zeker te weten. Dit is wat hij mij antwoordde:

I am nearly sure that, at least at the IMF, multipliers were revised up in most cases in view of the evidence.

Ook Daniel Leigh – de andere auteur van de IMF studie – was zo vriendelijk om te reageren op mijn e-mail. Hij antwoordt op mijn vraag of de geringere voorspelfouten het gevolg zijn van aanpassingen in de ramingsmodellen zodat grotere multipliers resulteren:

I share your interpretation — the weaker relation in more recent years may well reflect learning by forecasters.

Leigh geeft het voorbeeld van Griekenland. Het IMF heeft daar in de ramingen voor de latere jaren de multipliers verdubbeld, van ongeveer 0,5 naar 1 (IMF Country Report Griekenland, 2013):

The question that arises is whether underestimation of the size of the fiscal multipliers in the SBA-supported program caused the depth of the recession to be underestimated. The program initially assumed a multiplier of only 0.5 despite staff’s recognition that Greece’s relatively closed economy and lack of an exchange rate tool would concentrate the fiscal shock. Recent iterations of the Greek program have assumed a multiplier of twice the size. This reflects research showing that multipliers tend to be higher when households are liquidity constrained and monetary policy cannot provide an offset (see October 2012 WEO), influences that appear not to have been fully appreciated when the SBA-supported program was designed.

Het IMF heeft dus de multipliers in latere jaren inderdaad naar boven bijgesteld op basis van nieuwe inzichten. En het zou bizar zijn dat, wanneer het IMF er jarenlang zo grandioos heeft naast gezeten met de ramingen, niet de modellen zou hebben veranderd. Zoals Blanchard al vaststelde: ‘It was painful, but it was useful’. (Ik vraag me af hoever ze bij het CPB zijn met het aanpassen van hun modellen.)

Daarom kunnen we op basis van het CPB onderzoek niet concluderen dat multipliers in latere jaren kleiner zijn geworden. En we kunnen ook niet de conclusie trekken dat tekortreductie dus minder schadelijk zou zijn geweest in de latere dan in de eerdere jaren. Nog steeds pleiten sterke argumenten voor hoge multipliers, zoals de nulondergrens op de ECB-rente en het feit dat huishoudens nog altijd kampen met grote schulden. Zie ook deze studie die ik samen met CPB-economen Lukkezen en Kool schreef. Daarnaast zijn problemen bij banken kleiner geworden. Ook dat kan de multiplier hebben verhoogd. Zie bijvoorbeeld Corsetti et al. (2012a).

Ik vind dat het CPB, Kalshoven en Bouman hun werk beter hadden kunnen doen. Dat het CPB zich bij terechte vragen beroept op antwoorden van het niveau van ‘wij van WC-eend adviseren WC-eend’ is niet goed voor haar reputatie. En dat Kalshoven en Bouman hierin meegaan is ook bepaald niet overtuigend. Iedereen had eenvoudig navraag kunnen doen bij het IMF, maar geen van allen heeft dat gedaan. Daarmee laden CPB, Kalshoven en Bouman de verdenking op zich toch wel heel erg graag te willen geloven dat het allemaal wel meeviel met de schade van tekortreductie in Nederland.

Hoe groot was de schade van het verkleinen van het begrotingstekort dan? Dat weten we nog steeds niet goed en moet echt worden uitgezocht. Alleen dan kan de bijna oeverloos wordende maatschappelijke discussie over het begrotingsbeleid worden beslecht.

Hierbij een eerste aanzet op de achterkant van een sigarendoos. Ik probeer de effecten van bezuinigingen en lastenverzwaringen op het bbp te schatten op basis van de spoorboekjes van het CPB voor het Saffier-2 model dat het CPB gebruikt voor de ramingen. Zie hier spreadsheet met mijn berekening. Voor ieder begrotingsjaar schat ik het negatieve effect van bezuinigingen en lastenverhogingen op het bbp in dat jaar en in de jaren die daarop volgen op basis van de multipliers in het CPB-model. Dit doe ik voor alle jaren sinds 2011. Dit veronderstelt wel dat het model voldoende ‘lineair’ is, zodanig dat ik alle effecten van bezuinigingen en lastenverzwaringen in alle jaren bij elkaar kan optellen. Voor 2013 gebruik ik multipliers voor de indirecte belastingen omdat de belastingverhoging in dat jaar voornamelijk de btw betrof. Wanneer we het CPB-model voor waar aannemen, dan geeft de ingezette 6,5 procent bbp cumulatieve tekortreductie in de periode 2011-2017 ongeveer 7,5 procent cumulatief bbp-verlies. Dit getal moet met grote voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Het CPB-model hoeft niet te kloppen om allerlei redenen. Ook het CPB zat er tijdens de crisis regelmatig stevig naast. De meeste modellen kunnen niet goed overweg met grote schokken – waarvan het gevoerde begrotingsbeleid er zeker een was. En het is bovendien de vraag of alle begrotingseffecten zich wel zo lineair laten combineren zoals ik veronderstel.

Het is dus noodzakelijk dat er meer onderzoek komt dat het antwoord geeft op de vraag hoe groot de schade was van tekortreductie tijdens de Grote Recessie in Nederland. Het zou mooi zijn als het CPB zelf een ex post analyse zou maken van de cumulatieve schade van de tekortreductie in 2011-2017 met de door haar gebruikte modellen. Ook macro-economische onderzoekers kunnen schattingen maken met gecalibreerde Nieuw-Keynesiaanse modellen voor Nederland en met empirische analyses, zoals SVAR-regressies (zie Blanchard en Perotti, 2002) of de narratiefbenadering om multipliers te schatten (zie Romer en Romer, 2010).*

Hoe dan ook, mijn ruwe inschatting suggereert al dat – zelfs bij normale multipliers – de effecten van het begrotingsbeleid door diverse regeringen aanzienlijk waren en nog steeds zijn. Nederland is sinds 2008 ongeveer 15 procent van het bbp kwijtgeraakt ten opzichte van de trendgroei. Het is best mogelijk dat hiervan de helft op conto kan worden geschreven van het gevoerde begrotingsbeleid. Of je dit ‘kapot bezuinigen’ noemt of niet, zoveel minder inkomen is geen klein bier. Dus laat niemand de voorbarige conclusie trekken dat het allemaal reusachtig meeviel met de schade van de bezuinigingen en de lastenverzwaringen tijdens de Grote Recessie in Nederland.

 

* Wanneer MA- studenten van de EUR of MPhil-studenten uit het Tinbergen Instituut geïnteresseerd zijn om hun scriptie te schrijven over de kosten van tekortreductie in Nederland 2011-2017, kunnen zij zich bij mij melden.

Written by basjacobs

22 november 2015 at 18:44

Geplaatst in economie

Het CPB rijdt een scheve schaats over multipliers

Vandaag publiceerde het CPB een replicatie van de geruchtmakende studie van IMF-economen Blanchard en Leigh (2013). Het IMF had de schade van bezuinigingen in de jaren 2009-2011 sterk onderschat. De tegenstanders van tekortreductie, waaronder toenmalig CPB-directeur Coen Teulings en yours truly zagen in deze analyse hun gelijk bevestigd.

De voorstanders van austeriteit waren niet blij. Zo meende DNB-president Klaas Knot het IMF-onderzoek te moeten diskwalificeren als ‘een van de magerste regressielijntjes die ik in mijn academische carrière heb gezien’. Knot leek wel een politicus: niet op de inhoud ingaan, maar de geloofwaardigheid van IMF-onderzoekers beschadigen. Voor wie nog eens wil nalezen wie Olivier Blanchard eigenlijk is, kan ik van harte dit stuk uit de New York Times aanbevelen.

De statistische methode van Blanchard en Leigh kijkt of de voorspelde tekortreductie tot een groter dan geraamde afname van het bbp leidt. Ieder procent van het bbp dat extra zou worden bezuinigd, bleek in de praktijk 1 procent van het bbp méér krimp te veroorzaken dan aanvankelijk geraamd. De werkelijke multiplier zou dan met ongeveer 1 zijn onderschat. In de IMF-modellen was de multiplier ongeveer 0,5. Die zou op basis van de empirische bevindingen mogelijk wel zo groot als 1,5 kunnen zijn.

Het CPB meent in haar vandaag gepubliceerde onderzoek dat de multiplier weer kleiner zou zijn geworden voor de jaren 2013-2015. Net als het IMF destijds onderzoekt CPB of de schade van tekortreductie groter is dan geraamd. Het CPB reproduceert de cijfers van Blanchard en Leigh voor 2009-2011. Maar voor de jaren 2013-2015 blijkt de schade van bezuinigen niet groter dan geraamd.

De CPB studie vertelt ons dus dat het IMF de schade van tekortreductie voor de latere jaren beter heeft geraamd dan voor de eerdere jaren van de crisis. De conclusie is dan dat de begrotingsmultipliers in de latere ramingen ongeveer correct waren om de schade van tekortreductie te schatten.

Maar de CPB-onderzoekers trekken die conclusie niet en gaan de mist in.

Ze trekken de volgende conclusie: “Wij vinden voor Europese landen geen overtuigend bewijs dat de begrotingsmultiplier groter was dan geraamd tijdens de eurocrisis (2012-2013) en tijdens het zwakke herstel daarna.” En: “Op basis van de Blanchard-Leigh-benadering is er dan ook geen grond om te veronderstellen dat de multipliers momenteel hoger zijn dan voor de jongste economische crisis, uitgaande van dezelfde monetaire beleidsreactie.”

Maar de zowel de Blanchard-Leigh-analyse als de CPB-analyse zegt helemaal niets over de omvang van de begrotingsmultipliers. En daarmee dus over de schade van bezuinigingen in latere jaren. Het zegt alleen iets of de schade van bezuinigingen groter is dan geraamd. Maar dat is onvoldoende om vast te stellen hoe groot de multiplier is.

We moeten namelijk ook weten welke multiplier is gebruikt in de raming. Die multiplier is bovendien niet één getal, maar hangt van allerlei zaken af: het monetaire beleid (liquiditeitsval of niet), balansproblemen, bankproblemen, enzovoorts. Deze omstandigheden kunnen zijn veranderd door de tijd en daarmee ook de multipliers.

Het IMF heeft toegegeven dat hun modellen de schade van bezuinigingen en lastenverzwaringen stelselmatig hebben onderschat. Het zou mij dan niet verbazen als de multipliers in de ramingen in latere jaren naar boven zijn bijgesteld. En als dat zo is, dan worden vanzelf de ramingsfouten van het IMF kleiner. Zoals ook het CPB schrijft: ‘it [the absence of a forecast error, BJ] could also indicate learning by IMF forecasters’. Een kleinere ramingsfout zegt daarom op zich niets over de omvang van de multiplier.

Conclusie: het zou best kunnen zijn dat schade van tekortreductie kleiner is geworden in de latere jaren. Maar op basis van het CPB-onderzoek kan deze conclusie niet worden getrokken. De CPB-onderzoekers moeten daarom helderheid verschaffen over welke multipliers zijn gebruikt in de IMF-ramingen voor de latere jaren. Zolang dat niet gebeurt, kunnen we niets leren over de multiplier.

Written by basjacobs

11 november 2015 at 20:39

Geplaatst in economie

%d bloggers op de volgende wijze: