Politieke Economie – Bas Jacobs

Gaan mensen hun hypotheek aflossen onder Rutte III?

Worden de fiscale prikkels om hypotheken af te lossen sterker onder de kabinetsplannen? Het kabinet stelt voor om de maximale hypotheekrenteaftrek te gaan beperken van (maximaal) 50% nu tot 37% in de toekomst. Tegelijkertijd wordt het eigenwoningforfait verminderd met de opbrengst van de beperking van de hypotheekrenteaftrek van 0,75% naar 0,6%. Daarnaast wordt ‘Wet Hillen’ afgeschaft, die zegt dat mensen alleen eigenwoningforfait betalen als ze voldoende renteaftrek hebben. Ook worden de effectieve tarieven in box 3 verlaagd door de fictieve rendementen te koppelen aan meer recente cijfers voor risicovrije en risicodragende beleggingen. Tevens wordt het heffingsvrije vermogen in box 3 verhoogd van 25.000 naar 30.000 euro.

Om de vraag te beantwoorden of het aantrekkelijker wordt om een hypotheek af te lossen, beschouw ik het volgende gedachte-experiment. Stel dat iemand besluit om een deel van zijn spaargeld of vermogen in te zetten om zijn hypotheek af te lossen, wat gebeurt er dan met de totale belasting die deze persoon betaalt? Als de totale belasting die deze persoon betaalt afneemt, dan nemen de prikkels toe om het eigen huis af te lossen. Echter, als de totale belasting toeneemt, dan nemen de prikkels juist af om af te lossen. (Ik abstraheer hieronder van vermogensopbouw in de eigen onderneming en het pensioen.)

Aflossing van de hypotheek is voordelig  wanneer het belastingvoordeel van de renteaftrek τr – aftrektarief τ maal de hypotheekrente r – kleiner is dan de effectieve vermogensbelasting t in box 3: τr < t. Het bewijs staat onderaan deze blog. Hier zien we dat deze conditie van drie factoren afhangt: Wat is het aftrektarief τ in box 1? Wat is de hypotheekrente r die wordt betaald? En wat is het effectieve tarief van de vermogensbelasting t in box 3? Iemand met meer arbeidsinkomen zal in een hoger tarief vallen en meer profiteren van de hypotheekrenteaftrek. Dat geldt ook wanneer de rente op de hypotheek groter is. Echter, wanneer iemand meer vermogen heeft in box 3, dan neemt de vermogensbelasting t toe, waardoor het misschien toch aantrekkelijk kan zijn om het eigen huis af te lossen. Hieruit volgt dat het nooit optimaal is om het eigen huis af te lossen wanneer er geen belasting wordt betaald in box 3, dus wanneer het vrije vermogen onder de belastingvrije drempel zit.

Deze som maakt bovendien een zeer conservatieve aanname: dat mensen geen liquiditeitsvoorkeur hebben. Echter, als mensen ook hun vermogen (deels) liquide willen aanhouden, dan moet er een aanzienlijk groter fiscaal voordeel zijn op aflossen om voor het gemis aan liquide vermogen te compenseren. De conclusies in dit stuk zijn daarom eerder nog te optimistisch dan te pessimistisch over de bereidheid van mensen om af te lossen.

Het effectieve tarief van de vermogensbelasting in box 3 is gemiddeld gelijk aan t = 1,2%. Dit is het forfaitaire rendement (gemiddeld ongeveer 4%) maal het belastingtarief in box 3 van 30%. Sinds 2017 is het tarief in box 3 op budget-neutrale wijze progressief gemaakt (Belastingplan, 2016). Vandaar dat 4% ongeveer het gemiddelde forfaitaire rendement is. Echter, de effectieve tarieven in box 3 lopen uiteen van 2,871%×30% = 0,8613% voor vermogens tot aan 75.000 euro, 4,6%×30% = 1,38% voor vermogens tussen 75.000 – 975.000 en een tarief van 5,39%×30% = 1,617% boven de 975.000 euro. De cijfers zijn ontleend aan gegevens van de Belastingdienst. Vermogens onder de 30.000 euro worden helemaal niet belast (60.000 euro voor koppels).

Een voorbeeld kan verduidelijken. Stel dat iemand een hypotheekrente van r = 3% betaalt en de hypotheekrente mag aftrekken tegen een tarief van τ = 50%. Dan hebben we τr = 1,5%. Stel bovendien dat deze persoon een vrij vermogen heeft van 250.000 euro. In dat geval hebben we een effectieve vermogensbelasting in box 3 van t = 1,38%. Die ligt lager dan het fiscale voordeel van de renteaftrek τr = 1,5%. Dus is het in dit geval niet lonend om het vrije vermogen in te zetten om de hypotheek af te lossen.

Merk op dat wanneer mensen meer eigen geld in hun huis steken, de prikkel om af te lossen niet wordt bepaald door het eigenwoningforfait! Immers, de hoogte van het eigenwoningforfait is onafhankelijk van de vraag of het huis met geleend of eigen geld wordt betaald, maar hangt alleen af van de waarde van de woning. De waarde van de woning verandert niet als iemand een hogere of lagere hypotheek heeft. De verlaging van het eigen woningforfait is daarom geen reden om het eigen huis met meer eigen geld te financieren (wel om wel of geen huis te kopen, maar dat terzijde).

Alleen als het eigen huis naar box 3 wordt overgeheveld zou het niet langer meer uitmaken of het eigen huis met schuld of eigen geld is gefinancierd. Voor het weghalen van de prikkel om niet af te lossen zou het tarief van de hypotheekrenteaftrek nog verder moeten worden verminderd van 37% naar het 30%-tarief van box 3. Tegelijkertijd moet het forfaitaire rendement in box 3 vergelijkbaar zijn met de hypotheekrente. Of er zou een forfaitaire aftrek voor hypotheekrente moeten gelden, gebaseerd op het forfaitaire rendement in box 3.

In de volgende tabel laat ik zien bij welke belastingtarieven in box 1 en box 3 en bij welke hypotheekrente het aantrekkelijk is om de hypotheek af te lossen met spaargeld. Hieruit volgt dat het nooit financieel aantrekkelijk is om – zolang mensen minder dan 30.000 euro vermogen hebben – dit onbelaste spaargeld aan te wenden voor de aflossing van de hypotheek. De hypotheekrenteaftrek wordt dan opgegeven zonder dat er een winst tegenover staat van minder vermogensbelasting in box 3. Het is alleen aantrekkelijk om de hypotheek af te lossen bij zeer lage hypotheekrentes (weinig renteaftrek), lage inkomens uit arbeid (lage aftrektarieven) of zeer grote vermogens (hoge vermogensbelasting). Voor de gangbare rentetarieven is het in het bestaande belastingstelsel vrijwel altijd lonend om een zo hoog mogelijk hypotheek af te sluiten en zo weinig mogelijk eigen geld in het eigen huis te steken, ook al wordt vermogensbelasting in box 3 betaald over het vrij beschikbare vermogen.

aflossen_huidigLink: tabel met Excelsheet.

Wordt het nu met de kabinetsplannen onder Rutte III fiscaal aantrekkelijker om de hypotheek op het eigen huis af te lossen? In het kabinetsvoorstel gaat het maximale tarief van de hypotheekrenteaftrek naar 37%. Als er verder niets zou veranderen, dan wordt vermogensopbouw via het eigen huis mogelijk aantrekkelijker dan in box 3. Immers, het voordeel van de renteaftrek vermindert.

Echter, Kabinet Rutte 3 gaat ook het tarief van box 3 verlagen. Met hoeveel is nog steeds onduidelijk. Het CPB rapporteert in de doorrekening dat het gaat het om een structurele opbrengstderving van circa 200 miljoen euro. Aangezien een 1% lager tarief in box 3 zo’n 147 mln kost (Ministerie van Financiën, 2017), is dit equivalent aan een gemiddeld forfaitair rendement van 3,8% in plaats van 4%. Met andere woorden, het effectieve tarief in box 3 daalt ongeveer met afgerond 0,2%×30% = 0,1%. Daarnaast wordt ook de vrijstelling verhoogd in box 3 waardoor meer mensen geen heffing in box 3 betallen.

De afschaffing van ‘Wet Hillen’ leidt potentieel tot meer schuldfinanciering van het eigen huis. ‘Wet Hillen’ zegt dat mensen alleen eigenwoningforfait betalen als ze voldoende renteaftrek hebben. Dit is een impliciete subsidie op het aflossen van een hypotheek: hoe minder hypotheek, hoe groter het fiscaal voordeel. Ik kan echter niet goed kwantificeren hoe dit uitpakt.

In de volgende tabel laat ik zien wie er nu prikkels krijgen onder Rutte III om meer te gaan aflossen op het eigen huis als ik alleen rekening houd met de lagere tarieven voor aftrek en de lagere tarieven in box 3, maar niet met de afschaffing van Wet Hillen.

aflossen_rutte3Link: tabel met Excelsheet.

Voor de mensen met een oranje vakje verandert er iets door de plannen van Rutte III.  Voor niemand met een belastbaar vermogen van minder dan 75.000 euro in box 3 wordt het door de ingrepen van Rutte III aantrekkelijk om te gaan aflossen. Dit zijn ongeveer 12 miljoen van de 13,6 miljoen belastingplichtigen (Belastingplan, 2016), oftewel bijna 90% van de belastingplichtigen.Dus voor vrijwel niemand zal het financieel lonend zijn om de hypotheek af te lossen. Voor iedereen in de eerste twee schijven van de belastingen zal het niet aantrekkelijker worden onder Rutte III om te gaan aflossen. Dat zijn zo’n driekwart van alle belastingbetalers (CBS, 2015). En voor alle mensen die meer dan 4% hypotheekrente betalen, zal het onder Rutte III niet aantrekkelijker worden om nu te gaan aflossen.

Door het kabinetsbeleid wordt het alleen aantrekkelijker om vermogen over te hevelen van box 3 naar box 1 als:

  • mensen een hypotheekrente tussen de 3,5-4% betalen, in de hoogste vermogenscategorie van meer dan 975.000 euro vallen en een arbeidsinkomen hebben in een van de twee hoogste belastingschijven,
  • mensen die een hypotheekrente tussen de 3-3,5% betalen, in de op-een-na hoogste vermogenscategorie van 75.000-975.000 euro vallen en in de hoogste belastingschijf zitten.

Door Rutte III wordt het zelfs iets minder aantrekkelijk om hypotheken af te lossen voor mensen met een hypotheekrente van 3,50%, in het laagste tarief in box 1 en met vermogen tussen 75.000-975.000 euro. Dit komt doordat hun aftrektarief in box 1 een fractie omhoog is gegaan en hun tarief in box 3 een fractie omlaag.

Mijn conclusie luidt daarom dat de kabinetsplannen hoogst waarschijnlijk een summiere invloed zullen hebben om mensen aan te zetten – meer dan onder het huidige regime – hun hypotheken te gaan aflossen. De ingrepen onder Rutte 3 zijn niet krachtig genoeg om de bevoordeling van hypotheekschulden in het huidige stelsel substantieel te verminderen. Bovendien willen mensen een aanzienlijk fiscaal voordeel kunnen incasseren bij aflossing van het eigen huis om het gemis aan liquiditeit van vrij vermogen te compenseren. Ook heb ik niet gecorrigeerd voor het afschaffen van Wet Hillen waardoor aflossen ook minder aantrekkelijk is geworden.

De plannen van Rutte III zijn daarom (weer) een gemiste kans. Pas als het eigen huis echt van box 1 naar box 3 van de belastingen zou worden overgeheveld, kunnen we grotere effecten verwachten. Tot die tijd blijft de Nederlandse economie door (te) hoge hypotheekschulden financieel fragiel. De hervorming van de fiscale behandeling van het eigen huis is ook met Rutte III nog niet volbracht.

********

Dit bericht is bijgewerkt op basis van de beschikbare informatie in het Regeerakkoord en de CPB doorrekening. Dat heeft niet geleid tot andere sommen of conclusies.

Het formele bewijs voor de conditie τr < t is als volgt. We beschouwen een fictief persoon met een eigen huis ter waarde van E en met vermogen W. Deze persoon heeft een hypotheek ter waarde van H. De hypotheekrente is gelijk aan r. Het eigenwoningforfait is ρ procent van de waarde van het huis E. Het tarief waartegen de hypotheekrente wordt afgetrokken is τ. Het tarief van de inkomstenbelasting is θ. Voor alle schijven – behalve de hoogste schijf – geldt dat het aftrektarief voor de hypotheekrente gelijk is aan het belastingtarief: τ = θ. Het effectieve tarief van de vermogensbelasting in box 3 is t. De totale belasting B over het eigen huis en vermogen in box 3 voor deze persoon is gelijk aan: BθρEτrH + tW. θρE is de belasting via het eigenwoningforfait. Daarnaast wordt τrH aan voordeel genoten door de hypotheekrenteaftrek. Tenslotte wordt tW aan vermogensbelasting in box 3 betaald. Stel nu dat deze person een fractie dW van zijn vermogen inzet om zijn hypotheek met dH = dW < 0 te verlagen. Wat is dan het effect op de belasting die wordt betaald? Het antwoord is dB = – τrdH + tdW = – (τrt)dW. Aangezien dW < 0 (vermogen W daalt en de hypotheek H ook) gaat de belasting omhoog (dB > 0) als τr > t en omlaag (dB < 0) als τr < t. Merk op dat deze conditie niet afhangt van het eigenwoningforfait ρ of de waarde van het huis E.

 

Advertenties

Written by basjacobs

8 oktober 2017 at 21:31

Geplaatst in economie

Doorrekening verkiezingsprogramma’s: begrotingsbeleid politieke partijen totaal inconsequent

Vandaag publiceerde het CPB de doorrekening van de verkiezingsprogramma’s. In het tijdperk van ‘factless’ en ‘post-truth’ politiek is prachtig dat dit in Nederland nog altijd gebeurt. Partijen die niet meedoen, zoals de PVV, 50PLUS en Partij van de Dieren, verkopen de kiezers knollen voor citroenen.

Iedereen die wil weten welke economische effecten de partijprogramma’s hebben, moet de doorrekening maar eens lezen. Voor iedereen die niet weet wat hij/zij wil stemmen: kijk naar de opsomming van de maatregelen die elke partij voorstelt. Die is een heel stuk concreter dan de wollige teksten die in de verkiezingsprogramma’s staan.

Voor mij het meest opvallende nieuws is dat partijen eindelijk de Nederlandse budgettaire orthodoxie hebben verlaten. Eigenlijk een jaar of zes te laat. Alle politieke partijen, behalve DENK, gaan de begroting verruimen door hogere uitgaven of lagere belastingen, tussen ongeveer 0,5% bbp bij de ChristenUnie tot 1,5% bbp bij de SP. Daarmee lopen de partijen eindelijk synchroon met de economische conjunctuur.

Het gaat onmiskenbaar beter in Nederland, maar we hebben nog altijd wat onderbesteding. De werkloosheid ligt iets boven de schatting voor de natuurlijke werkloosheidsvoet. Bovendien is Nederland tijdens de crisis zo’n 15 procent aan bbp-groei verloren en kan waarschijnlijk iets aan gemiste groei inlopen. De internationale macro-economische omgeving is nog altijd fragiel. De ECB heeft de rentes op nul staan, terwijl ze aan kwantitatieve verruiming doet. De inflatie is veel te laag en Noord-Europa zou wat oververhitting kunnen gebruiken om de onbalans in Europa te herstellen. Tegelijkertijd zijn de private schulden nog steeds hoog, wat de bestedingen afremt. Het is daarom economisch verstandig om nog een enigszins expansief begrotingsbeleid te voeren. En dat is wat de Nederlandse politieke partijen doen.

Maar toch vind ik het politiek bizar dat vrijwel alle politieke partijen, inclusief de budgettaire haviken van VVD, CDA, D66, en PvdA de begroting laten verslechteren, ook op de lange termijn. Sterker, het met zeer pijnlijke ingrepen opgebouwde houdbaarheidsoverschot in de overheidsfinanciën slaat weer om in een houdbaarheidstekort bij CDA (-0,4%), PvdA (-0,7%) en SP (-2,7%)!

Waar zijn al die bezuinigingen en lastenverzwaringen van de afgelopen jaren, tijdens de grootste crisis in 80 jaar tijd, voor nodig geweest? Om – nu we eindelijk weer de weg naar boven hebben gevonden – de boel weer terug te kunnen draaien?

Mark Rutte heeft jarenlang, overal waar hij maar kon, geroepen dat de staatsfinanciën weer op orde zouden en moesten. Hij heeft de onderhandelingen in 2010 over Paars-plus laten stranden op de bezuinigingen. Die gingen niet ver genoeg. Hij heeft met Jan Kees de Jager in de Financial Times brieven geschreven dat landen uit de Eurozone moeten worden gegooid als ze zich niet aan de begrotingsregels houden. Hij heeft zijn eerste kabinet – na het mislukte Catshuisoverleg – laten vallen op de onbereidwilligheid van Wilders om nog meer te bezuinigen. Wilders was een ‘wegloper’. En nu laat hij als aanvoerder van de VVD ineens de budgettaire teugels vieren in de verkiezingen van 2017?

Ook CDA, PvdA, D66, ChristenUnie en GroenLinks hebben gedurende de jaren 2010-2017 meegetekend voor een megapakket aan bezuinigingen en lastenverzwaringen in diverse regeerakkoorden en aanvullende beleidspakketten. En al deze partijen laten nu de begrotingsteugels vieren.

Daar is zoals gezegd best een economisch pleidooi voor te houden. Maar dat pleidooi – onderbesteding, nulondergrens op de rente, hysterese, schuldafbouw – heb ik in al die jaren maar bij bar weinig politici mogen vernemen. En de noodzaak van een ruimer begrotingsbeleid is onmiskenbaar minder groot dan in 2010, 2012 of 2014. Sterker, die noodzaak werd toen door een grote politieke meerderheid in Nederland totaal afgewezen, tegen een meerderheid van academische economen, het CPB (onder Teulings), het IMF en de OESO in.

Er moest bezuinigd worden om de staatsfinanciën op orde te krijgen? Ook toen ze dat allang waren? De begroting moest op orde om stijgende rentelasten te voorkomen? Ook toen die rentelasten historische laagterecords bereikten? De kredietwaardigheid van de overheid stond op het spel? Terwijl zowel de overheid als Nederland al die jaren een groot positief netto vermogen had? Deze argumenten waren toen en zijn nog steeds economisch onzinnig. En ik hoor ze nergens meer.

Het merendeel van de Nederlandse politieke partijen – VVD, CDA, PvdA, D66, GroenLinks, ChristenUnie – hebben de budgettaire orthodoxie van de Nederlandse overheid gedurende de afgelopen jaren met hand en tand verdedigd. En ze vallen tijdens de verkiezingen in 2017 ineens allemaal van hun geloof? Daar is maar één woord voor: dat is een gotspe.

Written by basjacobs

16 februari 2017 at 15:33

Geplaatst in economie

Economisch succes van Trump kan leiden tot de tirannie van het populisme

Veel mensen lijken ervan overtuigd dat Trump een economische ramp gaat opleveren. Zo schreef Paul Krugman direct na de verkiezingen dat de wereld in recessie zou komen. Een dag later kwam hij daarop terug. Veel is nog onduidelijk en de economische toekomst van de VS is fundamenteel onzeker. Desondanks is het goed mogelijk dat Trump’s economische plannen op de korte termijn zouden kunnen leiden tot een sterke economische opleving, maar leiden – mocht hij die plannen inderdaad tot uitvoering brengen – tot grote economische schade op de lange termijn. Een groot gevaar van de verkiezing van Trump is dat populisten wereldwijd met vergelijkbare economische agenda’s aan de haal gaan: economische successen boeken op korte termijn en ondertussen de liberale democratie, het klimaat, de handels-, asiel- en migratieverdragen, de internationale veiligheid, de financiële stabiliteit en de onderlinge verdraagzaamheid om zeep helpen.

Trump gaat de belastingen zeer sterk verlagen en de overheidsinvesteringen in infrastructuur fors opvoeren. Volgens een analyse van het Tax Policy Center dalen onder Trump de belastingen de komende tien jaar met cumulatief 6,2 biljoen dollar (= 3,3 procent bbp per jaar, het bbp is 18,6 biljoen dollar), door onder andere: lagere tarieven in de inkomsten- en winstbelasting, volledig aftrekbaar maken van investeringskosten van bedrijven en afschaffing van de erfenis- en giftenbelasting. Het toptarief gaat van 39,6 procent naar 33 procent. Het hoogste vpb-tarief gaat van 35 procent naar 15 procent. Driekwart van de belastingverlaging komt terecht bij het bedrijfsleven. De staatsschuld zou door de belastingplannen met 22,1 biljoen dollar oplopen tot aan 2036. Na doorwerking van de economie komt dit neer op een toename van de staatsschuld met ruim 50 procent van het bbp. De staatsschuld staat in 2016 naar schatting op 108 procent van het bbp. Alleen al de belastingplannen van Trump kunnen daarom leiden tot Japanse niveaus van de staatsschuld.

Trump wil daarnaast 1 biljoen dollar meer investeren in infrastructuur: tunnels, wegen, luchthavens en bruggen. Dat is ruim 5 procent van het Amerikaanse bbp. Ook wil Trump de uitgaven aan defensie opvoeren. De schatting van het Committee for a Responsible Federal Budget is 150 miljard dollar over de komende 10 jaar. Dit is in totaal ongeveer 0,1 procent bbp per jaar.

Al deze cijfers moeten met een korrel zout worden genomen; in de VS hebben ze niet een CPB dat alle verkiezingsprogramma’s en regeerakkoorden systematisch doorrekent. Maar één blik op deze cijfers laat zien dat het om groot bier gaat.

Trump wil de economie op korte termijn een enorme stimulans geven – waarvan overigens de allerrijksten het meest zullen gaan profiteren. Volgens de Tax Policy Center kunnen in 2017 de inkomens met gemiddeld met 4,1 procent stijgen. De 0,1 procent rijksten gaan er netto 14 procent op vooruit, het middelste kwintiel 1,8 procent en het onderste kwintiel slechts 0,8 procent. Trump zou met deze gigantische begrotingsimpuls ervoor kunnen zorgen dat de VS – en misschien zelfs de wereld – definitief een scenario met eindeloze stagnatie afwendt. Dit is een langdurig aanhoudende liquiditeitsval (beleidsrentes die op nul staan) met chronische onderbesteding en aanhoudende deflatiedruk, waardoor de economie langdurig stagneert.

De term eindeloze stagnatie komt van Alvin Hansen, de evenknie van Keynes in de jaren 30 in de VS. Hansen schreef in 1939 in de American Economic Review:

“This is the essence of secular stagnation – sick recoveries which die in their infancy and depressions which feed on them- selves and leave a hard and seemingly immovable core of unemployment.”

Dit was na de Grote Depressie in de jaren 30, toen veel Westerse economieën maar matig groeiden en de werkloosheid hoog bleef. De afgelopen jaren zijn in te veel opzichten een herhaling van de geschiedenis. Alvin Hansen leek voorgoed te zijn verdwenen in de geschiedenisboeken, totdat Larry Summers in november 2013 hem oprakelde in een lezing die hij voor het IMF hield.

Er kwam geen eindeloze stagnatie in de jaren 30, niet in de VS en niet in Europa. De reden? Adolf Hitler. Landen bouwden, vanwege de opkomst van Hitler maar ook door de aanslag op Pearl Harbor, hun militaire apparaat op. Door de economische voorspoed verdween de werkloosheid. De aanloop naar de Tweede Wereldoorlog zorgde – o ironie van de geschiedenis – voor de Keynesiaanse begrotingsimpuls die vele landen uit de stagnatieval zou trekken.

Talloze economen hebben de afgelopen jaren gepleit – bv. Krugman, Summers, en in Nederland Teulings en ikzelf – voor veel agressiever begrotingsbeleid. En agressief wordt het. Trump gaat het begrotingsbeleid zwaar inzetten. Conjunctuurpolitiek wordt niet langer gedelegeerd aan het Amerikaanse stelsel van centrale banken, de FED – die Trump overigens zwaar heeft bekritiseerd. De FED kan bij rentes nabij nul weinig meer uitrichten. De effectiviteit van het onconventionele beleid van kwantitatieve verruiming is bovendien twijfelachtig, zeker wanneer de centrale bank zich niet kan of wil committeren aan hogere toekomstige inflatie. Door een zeer grote bestedingsimpuls zou Trump de Amerikaanse economie kunnen bevrijden uit de liquiditeitsval, het gevaar op langdurige stagnatie kunnen afwenden en het monetaire beleid kunnen normaliseren.

De plannen voor een megastimulans verklaren volgens mij waarom de aandelenmarkten de afgelopen dagen zo weinig slecht nieuws te zien gaven. En de Amerikaanse kapitaalmarktrentes schoten de afgelopen week omhoog. Zo steeg de Amerikaanse tienjaars obligatierente van 1,8 naar 2,1 procent in een paar dagen tijd; dit is een teken dat markten (op dit moment) meer groei en inflatie verwachten. De FED zal de beleidsrentes sneller gaan normaliseren als de overheid de economie zwaar stimuleert. Ook kunnen de monetaire autoriteiten het onconventionele beleid sneller afbouwen.

Door hogere vraag nemen de inflatieverwachtingen toe. Dat heeft ook gunstige vraageffecten: als de rentes nabij nul staan, leiden hogere inflatieverwachtingen tot een lagere reële – voor inflatie gecorrigeerde – rente, waardoor de consumptie, investeringen en exporten toenemen, de laatste via een zwakkere dollar. Bovendien zien mensen met schulden die sneller minder waard worden, waardoor consumenten en bedrijven met schulden meer bestedingsruimte krijgen. Ook zullen vermogenden hun bezit minder snel zien groeien, maar die geven aan de marge veel minder uit dan de mensen met schulden. Netto nemen toch de bestedingen toe bij wat hogere inflatie.

Trump stelt een groot aantal economisch uitermate onverstandige dingen voor. Zijn protectionisme en het mogelijk opzeggen van handelsverdragen zullen de Amerikaanse economie en de wereldeconomie op lange termijn grote schade toebrengen. TPP en TTIP zullen waarschijnlijk nooit doorgaan. Misschien blaast Trump NAFTA op. En mogelijk ontketent Amerika handelsoorlogen, bijvoorbeeld met China. De economische schade van minder vrijhandel ontstaat op de lange termijn. Denk hierbij ook terug aan wat gebeurde na het Brexit-referendum; de economie belandde niet direct in een diepe recessie, maar zal pas op termijn de gevolgen van minder vrijhandel ondervinden. Minder vrijhandel werkt uit als een aanbodschok voor de economie. Immers bepaalde goederen duurder invoeren vanwege importheffingen, is economisch bezien hetzelfde als diezelfde goederen zelf duurder produceren omdat de VS daarin minder goed is dan het buitenland. Aangezien de wereldeconomie nog steeds behoorlijk wat overcapaciteit kent, en daarom de vraag – niet het aanbod – het inkomen bepaalt, denk ik niet dat wat minder vrijhandel op de wat kortere termijn tot zeer grote economische schade zal leiden, maar zeker wel op lange termijn. Ook in Amerika bestaat vermoedelijk nog behoorlijk wat onbenut potentieel. Weliswaar is de officiële werkloosheid in de VS sterk gedaald, maar de arbeidsparticipatie is fors lager dan voor de Grote Recessie. Zie de figuur.

Participatiegraad 15-65 jarigen VS (in procenten van de bevolking)

trump1

Bron: OESO, Labor Force Statistics

Ook hier weer kunnen we even terugkijken naar de jaren na Grote Depressie. De ineenstorting van de wereldhandel zou aan de jaren 50 aanhouden, zie ook de volgende figuur. De geschiedenis laat zien dat economieën ook kunnen herstellen bij minder vrijhandel zolang de binnenlandse vraag maar sterk genoeg groeit.

Som van exporten en importen in de wereld (in procenten van het wereld bbp)

trump2.pngBron: Ortiz-Ospina en Roser

Bovendien zijn de VS niet zo afhankelijk van de exporten. De Amerikaanse export is slechts 14 procent van het bbp. De toegevoegde waarde van de export voor de Amerikaanse economie is 12 procent van het bbp. Een grote klap in de wereldhandel zal daarom een te overzien effect hebben voor Amerika, ook structureel. (Ter illustratie: Nederland heeft veel meer te verliezen bij mogelijke handelsoorlogen. De Nederlandse exporten zijn 83 procent van het bbp, terwijl de toegevoegde waarde van de export in Nederland 32 procent van het bbp bedraagt. Het uitvoervolume is zo hoog ten opzichte van de toegevoegde waarde vanwege de wederuitvoer – de overslag in de Rotterdamse haven.)

Trump wil een muur bouwen op de grens met Mexico en andere maatregelen nemen om migratie te stoppen, vooral uit moslimlanden. Het tegengaan van migratie heeft echter beperkte effecten op economische groei.  Daarvoor is migratie kwantitatief niet belangrijk genoeg, niet in de VS en ook niet in Europa.

Bovendien neemt Trump ook een aantal maatregelen die de capaciteit van de Amerikaanse economie structureel vergroten. Hoewel het grootste deel van Trump’s belastingverlagingen zeer slecht is doordacht en zeer ongericht is, leidt het wel structureel tot meer arbeidsaanbod en grotere bedrijfsinvesteringen. Ook de investeringen in infrastructuur vergroten op lange termijn het aanbod in de Amerikaanse economie. Het is daarom best mogelijk dat de structurele economische schade van minder vrijhandel wordt gecompenseerd door de winst van meer bedrijfs- en publieke investeringen en een groter arbeidsaanbod.

Trump zal de financiële regulering door de Dodd-Frank Act geheel of gedeeltelijk terug gaan draaien. Ook dat is zeer slecht nieuws op lange termijn, want de financiële sector zou weer vrij spel kunnen krijgen. Een herhaling van de crash in 2008 wordt dan veel aannemelijker. Maar op korte termijn zal dit een hernieuwde krediet-gedreven bubbel in huizen- en vastgoedmarkten kunnen blazen en daarmee de economie fors kunnen aanzwengelen.

Klimaatverandering is volgens Trump een hoax. Trump zal daarom de milieumaatregelen van Obama terugdraaien (bv. de Clean Power Plan) en het klimaatakkoord van Parijs niet naleven. Hij wil ook de Amerikaanse kolenindustrie nieuw leven inblazen. Dat is allemaal een regelrechte ramp voor de planeet, maar op korte termijn ‘goed’ voor de Amerikaanse economie. Regulering voor het bedrijfsleven knelt niet langer. Kostbare investeringen in hernieuwbare energie hoeven niet te worden gedaan. En ten dode opgeschreven industrieën worden weer tot leven gewekt.

Hoewel de macro-economische crisisaanpak in de VS onmiskenbaar beter was dan in Europa, deelden in de VS de minder welgestelden onmiskenbaar minder in de vruchten daarvan. Zo berekende Emmanuel Saez juli dit jaar dat in 2015 de onderste 99 procent nog maar twee derde van het inkomensverlies tijdens de grote recessie heeft ingelopen, terwijl de top 1 procent volledig is hersteld. Met andere woorden, het crisisherstel is voor het grootste deel bij de allerrijksten terecht gekomen. Tussen 1993 en 2015 groeiden de inkomens van de onderste 99 procent met slechts 14,3 procent, terwijl de bovenste 1 procent zijn inkomen met 94,5 procent zag stijgen. De top 1 procent kreeg daarmee 52 procent van alle Amerikaanse economische groei in de periode 1993-2015. De mediane koopkracht is in de VS de afgelopen 30 jaar nauwelijks gestegen en staat nog steeds ruim onder het niveau van 2008.

In Europa (Nederland) zijn de inkomensverschillen weliswaar veel minder (nauwelijks) gegroeid, maar de inkomens zijn eveneens nauwelijks gestegen. Het resultaat in zowel de VS als in Europa en Nederland is dat een zeer grote meerderheid van de mensen nauwelijks enige economische vooruitgang heeft ervaren gedurende de afgelopen jaren. In de VS omdat de overheid weigerde iets te doen aan de obscene groei in de inkomensongelijkheid. In Europa en Nederland omdat overheden totaal faalden om deugdelijk macro-economisch beleid te voeren.

Iedereen die denkt dat Amerika onder Trump direct op een economische catastrofe afstevent, moet nog eens goed nadenken. Het is goed mogelijk – dit is geen voorspelling – dat Trump in de komende jaren de Amerikaanse economie een enorme boost gaat geven en daardoor op grote politieke steun kan blijven rekenen bij het grote publiek. Trump gaat doen wat de meeste beleidsmakers en politici in het ontwikkelde Westen systematisch hebben nagelaten: de economie aanjagen, werkgelegenheid creëren en de inkomens van mensen laten stijgen. De Amerikaanse economie kan zich waarschijnlijk bevrijden uit de liquiditeitsval en aan eindeloze stagnatie ontsnappen. Mensen en bedrijven kunnen weer economisch perspectief krijgen en zullen economische vooruitgang ervaren. Dat de inkomensongelijkheid nog verder gaat toenemen en de financiële sector weer gaat groeien, zullen Amerikanen misschien nog billijken zolang zij zelf – na decennia economische stagnatie – eindelijk wat economische voorspoed zullen ervaren. Maar de prijs is zeer hoog.

Trump wil hetzelfde doen als Adolf Hitler deed in de jaren 30. Hitler verwierf politieke steun onder de bevolking, onder andere vanwege zijn publieke investeringen in de Autobahn. Zie dit onderzoek van Voth en Voigtländer. De uitkomst van dat politieke experiment kennen we. Hierin schuilt het grootste gevaar: korte-termijn economische successen kunnen Trump de politieke wind in de zeilen geven en populisten kunnen wereldwijd dezelfde strategie gaan volgen als Trump. Dit kan voor grote schade zorgen op lange termijn door handelsoorlogen, onoplosbare klimaatproblemen, grote financiële instabiliteit, sterk groeiende inkomens- en vermogensongelijkheid, internationale asiel-, migratie en mensenrechtenverdragen die worden opgezegd, toenemende internationale en geopolitieke spanningen en virulent nationalisme en xenofobie.

John Adams — een van de founding fathers van de VS — noemde democratie de tirannie van de meerderheid. Als dat zo is, dan moeten we vrezen voor een tirannie van het populisme. De verkiezing van Trump — en misschien ben ik te pessimistisch — kan het einde inleiden van de liberale democratie zoals wij die nu kennen. De opgave voor politici en beleidsmakers is nog altijd om een herhaling van de geschiedenis van de Grote Depressie te voorkomen.

Written by basjacobs

13 november 2016 at 17:58

Geplaatst in economie

Tagged with , , ,

Samsom, Nijboer en een FD-artikel uit 2012

Bij de PvdA hebben ze in het FD-archief een stukje opgeduikeld waarin ik een reactie geef op het net gesloten regeerakkoord van Rutte 2 dat is ook rondgetwitterd door Henk Nijboer (financieel woordvoerder PvdA). Diederik Samsom heeft dit gister in de algemene politieke beschouwingen gebruikt om te doen alsof ik het kabinetsbeleid eigenlijk best wel goed vond. Geestig was dat iemand zich op Twitter afvroeg of de FD-archieven gehackt waren door iemand die mij een hak wilde zetten. Dat is niet het geval.

De achtergrond van mijn woorden was: ik wilde direct na zijn aantreden het kabinet het voordeel van de twijfel gunnen. Vandaar mijn – achteraf bezien – te milde woorden. Hoe dan ook, de kop boven het stuk (‘Rutte bezuinigt verstandig’) is suggestief en dekt bepaald niet hoe ik over Rutte 2 denk. Door Martin Visser wordt mij namelijk niet gevraagd of ik het goed vond om te bezuinigen. Want dan had ik gezegd dat dit niet verstandig was. Dat zei ik toen al en dat zeg ik nu nog steeds. Ik zeg in het stuk alleen dat, als je dan toch bezuinigt – niet doen dus – het verstandig is om dat niet te frontloaden, gezien de broze situatie in 2012. Ik kan me niet precies herinneren waar mijn kwalificatie ‘behoorlijk evenwichtig’ over het regeerakkoord op sloeg, maar ik vermoed dat het ging over de inkomenseffecten.

Hoe dan ook, als de PvdA wat meer archieven had open getrokken, of mijn website had bezocht, dan had ze best kunnen weten dat ik niet zo’n fan was van het regeerakkoord. En dat wisten natuurlijk ook zonder de archieven in te duiken. Zowel Diederik Samsom als Henk Nijboer heb ik sinds 2010 talloze malen persoonlijk laten weten dat ik uitermate kritisch ben over het door hen ondersteunde bezuinigingsbeleid.

Het FD-stukje is daarom een politieke actie van de PvdA: het neerschieten van de boodschapper van het slechte nieuws. Dat hebben we helaas eerder deze week gezien met het economisch bureau van ING. It’s nothing personal, it’s strictly politics, right?

Wat ik hieraan zorgelijk vind is dat ook de PvdA meegaat in de populistische tendens om de geloofwaardigheid van experts te ondermijnen voor politiek gewin. Maar ik begrijp heel goed dat de PvdA en de VVD het vervelend vinden dat ik (en ING) de goednieuwsshow een beetje kom verstoren, zo vlak voor de verkiezingen.

 

 

Ps. for the record, voor iedereen die echt wil weten hoe ik denk over het beleid inclusief het regeerakkoord van Rutte 2, een paar artikelen uit mijn eigen archief, vanaf 2011:

Jacobs, Bas (2011), “Met Alleen Hard Bezuinigen Komen We er Niet Bovenop”, Me Judice, 21 september 2011.

Bovenberg, A. Lans en Bas Jacobs (2012), “Akkoord is wel een Politiek, maar geen Onverdeeld Economisch Succes”, De Volkskrant, 28 april 2012.

Jacobs, Bas (2012), “Geen Enkele Partij Stelt een Verstandig Macroeconomisch Beleid Voor”, MeJudice, 10 september 2012.

Bovenberg, A. Lans en Bas Jacobs (2012), “Rutte-II Lost Balansproblemen Niet Op”, MeJudice, 2 november 2012.

Jacobs, Bas (2013), “De Blinde Vlekken van Rutte-2”, MeJudice, 17 januari 2013.

Jacobs, Bas (2013), “Regering nog Steeds Bezig met Economische Symptoombestrijding”, MeJudice, 19 september 2013.

Jacobs, Bas (2013), “Macro-Economische Politiek voor een Uitweg uit de Crisis (Deel-I)“, Economisch Statistische Berichten, 98, (4669), 576-578.

Jacobs, Bas (2013), “Macro-Economische Politiek voor een Uitweg uit de Crisis (Deel-II)“, Economisch Statische Berichten, 98, (4671), 636-639.

Jacobs, Bas (2015), “Wat Ze U niet Vertelden Gister”, NRC Handelsblad, 16 september 2015.

Written by basjacobs

22 september 2016 at 07:55

Geplaatst in economie

De rekening van Rutte

Vandaag is het Prinsjesdag. En de troonrede zal vermoedelijk bol staan van ronkende retoriek. De regering zal luid van de daken roepen: ‘herstel van de economische groei’, ‘teruglopend begrotingstekort’ en ‘daling van de werkloosheid’. Het beleid begint na ‘zware jaren’ eindelijk zijn ‘vruchten af te werpen’. En we zijn ‘sterker uit de crisis gekomen’. Helaas klopt er alleen weinig van dit verhaal.

Op de een of andere manier werkt het verkooppraatje al aardig. Zo wilde ik vrijdagavond weer eens mijn TV uit het raam gooien na het kijken van het NOS 8-uur Journaal. Rob Trip en Ron Fresen nemen al jaren – kennelijk onnadenkend – de frames van de regering over, zo ook vrijdag. Gelukkig zag ik later op de avond Hella Hueck bij Pauw, die een aantal terechte kanttekeningen plaatste bij het gevoerde beleid (en een mooie grafiek van mij liet zien – zie ook hieronder). Ik hoop dat ik vandaag veel goede, onafhankelijke journalisten zie en weinig napraters.

De economische voorspoed nu heeft nauwelijks iets te maken met het beleid van Rutte 2. Wat de regering vandaag ook gaat beweren. Reden: de regering heeft eigenlijk alleen maar beleid gevoerd dat het economisch herstel sinds 2012 heeft beschadigd. Heeft de regering dan helemaal niets goeds gedaan? Jawel, een aantal lange-termijnhervormingen doorvoeren. Echter, ook die hebben op korte termijn meestal wel pijn gedaan. Het zoet van het regeringsbeleid ligt daarom in de toekomst, terwijl bijna vijf jaar lang het leven economisch zuur was. En dát is het echte verhaal van Rutte 2.

Nederland heeft het economisch slecht gedaan

Het is natuurlijk prachtig dat we eindelijk weer wat groeien. Maar het permanente productieverlies van de Grote Recessie gedurende 2008-2016 is groot. Zie Figuur 1. De trendmatige groei was in de periode 1970-2007 bijna 2,6 procent per jaar (CBS, 2014). Deze groei is in de jaren vóór de crisis geflatteerd door schuldgedreven groei in huizen- en vastgoedmarkten. Maar zonder de Grote Recessie zou het Nederlandse bbp in de periode 2008-2016 met ongeveer 18 procent zijn gegroeid op basis van een relatief bescheiden trendmatige bbp-groei van 2 procent per jaar. Aangezien het bbp nu 2 procent bbp groter is dan in 2008, bedraagt het groeiverlies ten opzichte van de trendgroei ongeveer 16 procent van het bbp. Bij correcties voor de output gaps in 2007 en 2016 van +4,6 (door oververhitting vòòr de Grote Recessie) en -2,2 procent (door onderbesteding nu) (CPB, 2016), bedraagt het structurele bbp-verlies van de Grote Recessie circa 9 procent van het bbp. De inhaalgroei van circa 0,2 procent per jaar de komende jaren is verwaarloosbaar (CPB, 2016). Het overgrote deel van de 9 procent gemiste groei gaat daarmee structureel verloren. Dit zijn zeer sterke hysterese-effecten: tijdelijke economische schade die permanent wordt.

Figuur 1 – Grote blijvende economische schade vanwege de Grote Recessie

fig1_blog_prinsjesdag

Bronnen: CPB (2016) CEP, CPB (2016) k-MEV

De Nederlandse economie groeit nu weliswaar, maar die groei is, met naar schatting 1,7 procent in zowel 2016 als 2017, allesbehalve solide en overtuigend te noemen (CPB, 2016). Deze groei is ruim beneden historische gemiddelden, zelfs als we rekening houden met lagere structurele groei door de vergrijzing. Na 7 jaar crisis met een dubbeldiprecessie bereikte Nederland begin 2015 het inkomensniveau van 2008. Het is een beetje potsierlijk om nu juichverhalen over 1,7 procent groei af te steken. Sinds 2014 hadden groeicijfers van 3 à 4 procent per jaar meer in de rede gelegen om de enorme schade van de Grote Recessie wat in te lopen.

Nederland slaat ook internationaal al jaren een slecht figuur. Zie Figuur 2. Tussen 2008 en 2017 groeit het bbp van Nederlands’ belangrijkste handelspartners veel sneller: de VS met 10,2 procentpunt, het VK met 7,4 procentpunt, Duitsland met 5,0 procentpunt. Zelfs België en Frankrijk doen het beter met, respectievelijk, 3,5 procentpunt en 2,3 procentpunt meer bbp-groei. Nederland doet het in deze periode maar marginaal beter dan gemiddeld in de eurozone (0,4% bbp-punt) (OESO, 2016). Hoezo een overtuigend herstelverhaal?

De cijfers van de VS en het VK laten bovendien zien dat – ook in landen met grote bankencrises en geklapte huizenmarktbubbels – het goed mogelijk is om een groot deel van de gemiste groei in te lopen. Deze landen voerden gewoon een beter beleid dan wij: sanering en herkapitalisering van het bankwezen, het agressieve monetaire beleid en de (aanvankelijke) grote begrotingstekorten in de orde van 8-10% van het bbp.

Figuur 2 – Internationale vergelijking economische groei van Nederland en haar belangrijkste handelspartnersfig2_blog_prinsjesdagBron: OESO (2016)

Niet alleen in internationaal opzicht, ook in historisch opzicht is de economische groei van de afgelopen jaren teleurstellend. Zie ook Figuur 3. 8 jaar na 1929 – het begin van de Grote Depressie – groeide het bbp 5 procentpunt meer dan in de 8 jaar na 2008 (CBS, 2014; CPB, 2016; CPB, 2016). De Nederlandse economie groeit na de Grote Recessie dus langzamer dan na de Grote Depressie.

Figuur 3 – Historische vergelijking economische groei in Nederland met Grote Depressie en de jaren 80

fig3_blog_prinsjesdag

Bronnen: CPB (2016) CEP, CPB (2016) k-MEV, CBS (2015) Statline

Nederland is bovendien nog niet uit de problemen. Output gaps – die schatten hoeveel de feitelijke productie onder de potentiële productie ligt – laten zien dat er nog altijd forse onderbesteding bestaat in zowel 2016 als 2017: -2,2/-2,4/-2,8/-2,0% en –2,0/-1,6/-2,0/-1,0% (CPB, 2016/DNB 2016/IMF, 2016/OESO, 2016). Hoewel de onderbesteding – net als de werkloosheid zichtbaar terug loopt – raamt het CPB (2016) dat onderbesteding tot 2021 blijft aanhouden. Zie ook Figuur 4.

Figuur 4 – Nederland kampt nog altijd met forse onderbesteding

fig4_blog_prinsjesdag

Bronnen: CPB (2016) MLT, IMF (2016) WEO, OESO (2016) EO

Hoewel de werkloosheid inderdaad gestaag afneemt, blijft deze hoog en wordt in 2016 en 2017 geraamd op 6,5 procent van de beroepsbevolking (CPB, 2016), nog ruim boven de structurele werkloosheid van 5 procent (CPB, 2016).

Ondanks alle verwoede pogingen om (hypotheek)schulden af te lossen, zijn private schulden niet gedaald, maar zelfs gestegen van 216% bbp in 2008 tot 229% bbp begin 2016 (CBS, 2016). Zie ook Figuur 5. Het aantal huiseigenaren met een negatief eigen vermogen in de eigen woning daalt wel aanzienlijk door de huizenprijsstijgingen, maar staat anno 2016 nog wel op ruim 25% (DNB, 2016). De dekkingsgraden van de Nederlandse pensioenfondsen zijn sinds 2008 sterk verslechterd en blijven nog steeds onder de 100% hangen (in juni 2016: 97%; DNB, 2016).

En ondanks enorme bezuinigingen en lastenverzwaringen is de overheidsschuld alleen maar gestegen van 55% bbp in 2008 tot 68% bbp in 2014. De overheidsschuld neemt daarna af tot 62% bbp in 2017 – mede dankzij de privatisering van ABN AMRO en schatkistbankieren en het feit dat er eindelijk weer wat groei is (CPB, 2016; CPB, 2016).

 Figuur 5 – Schuldafbouw grotendeels mislukt

fig5_blog_prinsjesdag Bronnen: CPB (2016) k-MEV, CBS (2016)

Effecten Rutte 2 op korte termijn

Het gevoerde begrotingsbeleid heeft de groei zeer sterk vertraagd. Diverse regeringen onder leiding van Mark Rutte hebben jarenlang bezuinigd en de belastingen verhoogd. Zie Figuur 6. In totaal is voor zo’n 47 mrd euro (6,7% bbp) aan tekortreducerende maatregelen genomen, waarvan 2/3 bezuinigingen en 1/3 lastenverzwaringen.

Figuur 6 – Pakketten van lastenverzwaring en bezuinigingen 2011-2017

fig6b_blog_prinsjesdagfig6b_blog_prinsjesdag

Bron: Suyker (2015)

Het begrotingsbeleid heeft zijn uitwerking op de economie niet gemist. Cijfers van het CPB tonen aan dat het begrotingsbeleid van de regeringen Rutte 1 en 2 een derde van de Grote Recessie hebben veroorzaakt (Jacobs, 2015). Van de 16 procent bbp gemiste bbp-groei sinds 2008 kan circa 5,5-6 procent bbp groeiverlies op conto worden geschreven van het begrotingsbeleid. En dat is bij redelijk conservatieve inschattingen van de begrotingsmultiplier. Het echte verlies is daarom mogelijk nog groter. Het groeiverlies is volgens CPB cijfers gepaard gegaan met zo’n 5% minder werkgelegenheid (Jacobs, 2016). Dat komt neer op ongeveer 365.000 banen. Het vervelende is dat het tijdelijke groeiverlies – naar het zich nu laat aanzien – de economie permanent armer heeft gemaakt (hysterese).

Met het (korte-termijn)begrotingsbeleid is schade toegebracht aan de overheidsfinanciën. En dat zal in schril contrast staan met wat de regering op Prinsjesdag zal verkondigen. Elders laat ik zien dat, wanneer geen van de bezuinigingen of lastenverwaringen was doorgegaan, de staatsschuld met een kleine 5% van het bbp was gestegen (Jacobs, 2015). Daarover zou de overheid zo’n 600 mln meer rente per jaar hebben betaald. Echter, we hadden ook een 5,5-6% grotere economie gehad. Dat is zo’n 40 miljard euro meer inkomen. De overheid had dan ieder jaar een slordige 15 miljard euro meer belastinginkomsten gehad. Als de overheid niets had gedaan, had ze daarom na drie jaar net zoveel extra geld gehad als de opbrengst van alle bezuinigingen en lastenverzwaringen in 2011-2017. Ongeveer de helft van de winst van alle maatregelen om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn te verbeteren (verhoging AOW-leeftijd, decentralisatie zorg, beperking hypotheekrenteaftrek, etc.) is in rook opgegaan door het begrotingsbeleid. De maatschappelijke kosten-batenanalyse van de schuldpolitiek onder Rutte toont aan dat het gevoerde begrotingsbeleid economisch bezien volkomen mesjogge is geweest.

Het straffe begrotingsbeleid had ook helemaal niet gehoeven. De Nederlandse overheid betaalt nu ongeveer nul rente op tienjaars staatsleningen. De obligatierente is in 500 jaar nooit zo laag geweest, sinds de Nederlandse staat begon met uitgeven van obligaties. De rentelasten op de staatsschuld zijn in procenten van het bbp in 200 jaar niet zo laag geweest, en dat is alleen omdat de cijfers niet verder teruggaan. Zie Figuur 7. De overheidsfinanciën vertoonden een houdbaarheidsoverschot door de structurele hervormingen van Rutte 2 (CPB, 2012). Om houdbare overheidsfinanciën te krijgen was het onnodig, om naast alle structurele hervormingen, ook nog eens hard het mes te zetten in de overheidsuitgaven of de belastingen te verhogen.

Figuur 7 – Overheidsschuld en rentelasten 1814-2017

fig7_blog_prinsjesdagBron: CPB (2015)

De hervormingen van Rutte 2

Heeft Rutte 2 dan niets goed gedaan? Jawel, ze kan een paar lange-termijnsuccessen claimen. De ingrepen op de woningmarkt – de beperking van de hypotheekrenteaftrek en het verlagen van de maximale loan-to-value ratios  – zijn wenselijk zijn op de lange termijn. Dat geldt overigens niet voor de verplichte aflossing van hypotheken. Mensen worden nu gedwongen om nog meer te sparen. Beter was om de renteaftrek sneller af te bouwen. Ook lopen de huren nu meer in pas met de prijsontwikkeling op de koopmarkt. Hoewel op veel onderdelen de hervorming van de woningmarkt wenselijk is op lange termijn, is het natuurlijk niet zo dat die ingrepen op korte termijn de woningmarkt hebben geholpen. Sterker, alle maatregelen hebben de woningmarkt op korte termijn een extra duw neerwaarts gegeven. Dit had de regering kunnen opvangen met extra begrotingsstimulansen, zoals lastenverlichting, maar dat is alleen niet gebeurd.

De versnelde verhoging van de AOW-leeftijd is prima. (Balkenende-IV had al had besloten tot verhoging van de AOW-leeftijd.) Daarvan plukken we op de lange termijn de vruchten van meer belastinginkomsten en lagere overheidsuitgaven omdat mensen langer blijven werken, maar zonder dat het nu direct tot enorme economische consequenties leidt.

De hervorming van de langdurige zorg – decentralisatie naar de gemeenten – kan helpen om de kosten op de lange termijn te beheersen. Ik heb te weinig verstand van de zorg om te beoordelen hoe deze hervorming uitpakt voor betrokkenen. Hoe dan ook, ook bij deze hervorming geldt dat er weliswaar op lange termijn winsten worden behaald voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën en mogelijk ook meer zorg op maat kan worden geleverd. Maar het is zonneklaar dat op de korte termijn sterk is bezuinigd op de langdurige zorg. Dat heeft de economie op korte termijn schade toegebracht.

Hervormingen van de arbeidsmarktbeleid zijn deels mislukt. Flexwerk is wel vaster geworden maar vast werk niet flexibeler. Daardoor raken kwetsbare werknemers sneller hun baan kwijt in plaats van sneller een vaste baan te krijgen. Daarnaast is de maximale WW-duur versoberd tot 24 maanden en kent het ontslagrecht nog maar een ontslagroute.

Ook de hervormingen van de aanvullende pensioenen zijn niet gelukt. We hebben al sinds 2009 aanzienlijke dekkingsproblemen bij de pensioenfondsen en sinds 2010 discussies over het pensioenstelsel. Ook deze regering heeft de hete aardappel doorgeschoven naar een volgende regering.

De financiële sector is eveneens onvoldoende hervormd. De kredietgroei aan het Nederlandse MKB is nog steeds negatief (CPB, 2016). Hoewel de kapitaaleisen wat zijn toegenomen zijn ze nog steeds (belachelijk) laag. Als de regering in Europa had getamboereerd op hogere kapitaaleisen in plaats van hardere begrotingsregels, dan had ze de economie en Europa een veel grotere dienst bewezen. De fiscale prikkels voor schuldfinanciering zijn evenmin weggenomen. Het fiscale stelsel bevordert nog altijd op grootschalige wijze schuldfinanciering van bedrijven via de renteaftrek in de vpb en van huishoudens via de hypotheekrenteaftrek.

Het bankwezen is nog steeds te groot om te falen met een omvang van zo’n vier maal het bbp. Een belangrijk deel van het economische herstel komt bovendien weer door schuld-gedreven groei in huizen- en vastgoedmarkten. De dodelijke omhelzing tussen banken en overheden is niet doorbroken in veel Europese landen. De bankenunie is niet af want er is geen budgettaire achtervang voor bankreddingen en een Europees depositogarantiestelsel ontbreekt. Bovendien kampt het Europese bankwezen nog steeds met zombiebanken die moeten worden gesaneerd en geherkapitaliseerd.

We hebben dit jaar 5 mld lastenverlichting gekregen – wat op zich prima te verdedigen is. Sterker, dit jaar pakt de begroting door de lastenverlichting bijna neutraal uit voor de economie: een hele kleine netto bezuiniging resteert, zie ook Figuur 6. En zie daar: de economie groeit weer wat. Het voelt dus best goed om, na jarenlang met het hoofd op de muur te bonken, daarmee op te houden. Helaas was er geen belastinghervorming.

De rekening van Rutte is hoog

De regering heeft stelselmatig de verkeerde diagnose gesteld: dat problemen in Nederland kwamen door de overheidsfinanciën en de economische structuur. Het beleidsrecept was daarom bezuinigen en hervormen. De juiste diagnose was echter: we hebben een balansrecessie met bijbehorende vraaguitval. De oplossing had moeten zijn: laat de private sector zijn balansen herstellen, saneer en herkapitaliseer de banken, los de hypotheek- en pensioenproblemen op, en ondersteun intussen de private sector met een ruimhartig begrotingsbeleid. De regering heeft echter grotendeels aan symptoombestrijding gedaan: terugdringing van het begrotingstekort. Het begrotingsbeleid heeft de recessie onnodig verdiept. De regering heeft al haar politieke kapitaal geïnvesteerd in structurele hervormingen en budgettaire orthodoxie, ook in Europa. Daardoor heeft ze de oorzaken van de Grote Recessie – fundamentele problemen in de financiële architectuur van Nederland – maar voor een deel weggenomen. Banken waren levensgevaarlijk, maar zijn nog steeds gevaarlijk. De woningmarkt is een beetje hervormd, maar hypotheekrenteaftrek staat nog steeds overeind. De problemen met de aanvullende pensioenen zijn niet opgelost, maar doorgeschoven naar een volgende regering. Tegelijkertijd zijn de private schulden verder opgelopen en de publieke schulden nauwelijks gedaald. Door falend macro-economisch beleid zijn vele procenten bbp-groei en ettelijke honderdduizenden banen gemist. Wie terugkijkt op de afgelopen jaren, kan daarom maar één conclusie trekken: de rekening van Rutte is te hoog geweest.

Written by basjacobs

19 september 2016 at 23:12

ING heeft gelijk: overheidsbeleid in de periode 2011-2017 kostte volgens het CPB ongeveer 365.000 banen

Deze week kwam ING met een mooi rapport met een terugblik op de afgelopen jaren. Ze betoogden dat structurele hervormingen de economie hadden versterkt. Maar ook dat het begrotingsbeleid onnodig kostbaar was en daarmee onnodig veel werkloosheid heeft veroorzaakt.

Een aantal economen was er als de kippen bij om ING af te branden. Ook Minister Dijsselbloem reageerde als door een adder gebeten: “Een hele slechte analyse”, oordeelde hij over het ING-rapport in het FD. Een beetje dom, als je het mij vraagt. De regering probeert in de aantocht naar de verkiezingen met man en macht het economisch herstel van de Nederlandse economie toe te schrijven aan haar beleid. Ten onrechte, want het regeringsbeleid heeft weliswaar op lange termijn een aantal zaken verbeterd (AOW, huizenmarkt, zorg), maar vooral op korte termijn veel onnodige economische schade aangericht.

Hoeveel banen hebben de plannen van diverse regeringen eigenlijk gekost? Dat was de steen des aanstoots. Schattingen voor het werkgelegenheidsverlies zijn beschikbaar in de CPB-doorrekeningen van de diverse regeerakkoorden en tussentijdse begrotingspakketten. Eerder schatten Wim Suyker van het CPB en de Studiegroep Begrotingsruimte (p.19) op basis van deze cijfers dat het Nederlandse begrotingsbeleid zo’n 5% aan bbp-groei heeft gekost tussen 2011-2017 – en dat is exclusief de afbouw van het crisispakket van Balkenende-IV dat in ‘het basispad’ is verwerkt.

Op dezelfde wijze kunnen we berekenen, op basis van dezelfde CPB-ramingen, hoeveel banen naar schatting gemoeid zijn geweest met het gevoerde beleid. Die berekening heb ik gemaakt in de volgende tabel. In deze Excel-sheet staan de berekeningen plus de verwijzingen naar alle bronnen voor de cijfers.*

schade_werkgelegenheid

Het CPB schat dat er ongeveer 5,2% minder werkgelegenheid is gecreëerd vanwege het gevoerde regeringsbeleid sinds 2011. Dit is ongeveer gelijk aan de afname van de groei van het bbp gedurende diezelfde periode. De afname van de werkgelegenheid komt overeen met zo’n 365.000 voltijdsbanen. Van die 5,2% geschatte daling van werkgelegenheid kan 2,2% op conto worden geschreven van het beleid tijdens Rutte 2, gelijk aan ongeveer 155.00 minder banen.

Natuurlijk moeten deze schattingen met grote voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Het zijn ramingen die door het CPB worden gemaakt op basis van haar modellen. Over de modelaannames is discussie mogelijk. Ook kan de schatting zijn vertekend door afrondingsverschillen. Maar dat gezegd hebbende, lijkt het me onwaarschijnlijk dat andere ramingsmethoden effecten zouden opleveren die van een totaal andere orde van grootte zouden zijn.

Het economisch bureau van ING heeft daarom gelijk. Zij concludeerden: ‘Al met al kostte het snijden in overheidsuitgaven waarschijnlijk een paar honderdduizend banen’. Die conclusie is terecht voorzichtig gezien de onzekerheden rondom dergelijke inschattingen, maar wordt volledig ondersteund door cijfers van het CPB.

Het is daarom treurig als de Minister van Financiën de boodschapper van het slechte nieuws probeert neer te schieten en de schade van het regeringsbeleid voor de Nederlandse werkgelegenheid bagatelliseert.

 

*Aangezien het CPB sinds het CEP 2016 niet langer meer het arbeidsvolume in personen meet, maar alleen nog het arbeidsvolume in uren, heb ik de volume-effecten in uren weer omgerekend naar arbeidsvolume in personen met behulp van de deeltijdfactor uit de MEV 2016 van 2015. Daarbij heb ik een schatting gemaakt van de deeltijdfactor voor 2017, aangezien ik daarvan geen cijfer heb kunnen vinden. Die schatting heb ik op het gemiddelde gesteld van de deeltijdfactor in de jaren 2011-2016.

Written by basjacobs

17 september 2016 at 10:34

Overheid heeft met falend begrotingsbeleid een derde van de Grote Recessie veroorzaakt

De discussie over de multipliers laat zien dat het debat over het begrotingsbeleid in Nederland nog niet is uitgedoofd. Eerder deze week publiceerde Wim Suyker een mooie presentatie op de CPB-website. Het CPB geeft daarin voor het eerst een schatting van de economische schade van het gevoerde begrotingsbeleid in Nederland, zie slide 12. Op basis van zijn cijfers kom ik tot een cumulatieve schade van 5,1 procent minder bbp voor de periode 2011-2017 vanwege het gevoerde begrotingsbeleid. Zie de tabel voor de berekening.

cpb_tabel_suyker

Echter in deze tabel ontbreken nog twee zaken, want – zo staat in de voetnoot van de tabel op slide 12 – ‘eerdere pakketten zijn in het basispad verwerkt’: de afbouw van het crisis- en herstelpakket van Balkenende-IV en de ombuigingen uit het aanvullend beleidsakkoord. Zie hier voor Wim Suyker’s overzicht van alle bezuinigingen en lastenverzwaringen gedurende de periode 2011-2017. Beide zijn samen goed voor 5 miljard euro, oftewel zo’n 0,8 procent van het bbp in 2011.

De kosten van het verkleinen van het begrotingstekort in Nederland in de periode 2011-2017 zijn daarom naar mijn inschatting 5,8-5,9 procent van het bbp op basis van multipliers in het CPB Saffier-model. De Nederlandse begrotingsmultiplier – belastingen en uitgaven samen – is daarmee gemiddeld over 2011-2017 ongeveer 0,9 geweest.

Deze CPB-cijfers verschillen van mijn eerdere sigarendoosberekening van de schade door tekortreductie. Ik kwam op mogelijk 7,5 procent bbp-verlies door het begrotingsbeleid. Daar kunnen allerlei redenen voor zijn: afrondingsverschillen (effecten bezuinigingen op groeicijfers afgerond op tienden, bezuinigingen/lastenverzwaringen afgerond op hele miljarden) en multipliers die niet van toepassing hoeven te zijn (bv. bezuinigingen op ontwikkelingshulp). Maar de belangrijkste verklaring is dat ik van dik hout planken heb gezaagd op basis van de gegevens die ik had en het simpele model dat ik gebruikte. Mijn som moest daarom met zeer grote voorzichtigheid worden geïnterpreteerd — zoals ik ook duidelijk aangaf. Ik ben achteraf toch verrast dat ik behoorlijk in de buurt kwam. Hoe dan ook, mijn sigarendoos kan in de vuilnisbak. De cijfers van het CPB zijn de beste inschatting tot nu toe.*

De cijfers van het CPB zijn – bij mijn beste weten – de eerste officiële getallen die we hebben van de totale schade van het Nederlandse begrotingsbeleid tijdens de Grote Recessie. En dus kunnen we een discussie voeren of dit beleid het waard was of niet.

We kunnen concluderen dat ruwweg een derde van de gemiste groei in Nederland tussen 2011-2017 van ongeveer 15 procent bbp op het gevoerde begrotingsbeleid is terug te voeren — zie ook de figuur hieronder. De overige twee derde is terug te voeren op allerlei andere zaken, zoals de huizenmarkt, de pensioenen, de banken en de Eurocrisis. Is hiermee de economie ‘kapot’ bezuinigd? Nee. Het inkomen is 6 procent lager dan het was geweest zonder het begrotingsbeleid. Nederland is daarmee nog steeds een zeer welvarend land.

Maar de prijs die Nederland heeft betaald voor haar budgettaire orthodoxie is toch gigantisch. Ga maar na: als we die 5,5-6 procent van het inkomen voor altijd kwijt zijn geraakt – en daar heeft het momenteel alle schijn van – dan missen we ieder jaar weer zo’n 37-40 miljard euro aan inkomen bij een bbp van circa 680 miljard in 2015. Het kan natuurlijk altijd zijn dat het inkomensverlies niet volledig permanent wordt. Maar dan moet de economie snel inhaalgroei gaan vertonen. Dat kan nog steeds gebeuren, maar zeker is het allerminst. Op dit moment zien we daar nog weinig van. Zie onderstaande figuur op basis van de MEV.

prijs_grote_recessie

Stel dat de hele cumulatieve bezuiniging van 6,5 procent van het bbp niet was doorgegaan. Dan was de economie niet met 5,5-6 procent gekrompen. De overheid had dan ongeveer 2-2,5 procent bbp meer inkomsten gehad. Aan de overheid valt ongeveer 37 procent van het bbp toe via de belastingen, zie CPB. Dit had geleid tot een nettostijging van de staatsschuld met ongeveer 4,3 procent van het bbp. De rentelasten waren dan met zo’n 6 procent groter geworden. Dat is een stijging van de jaarlijkse rentelasten voor de overheid met ongeveer 600 miljoen euro per jaar bij de gemiddelde rente van zo’n 2 procent per jaar over de uitstaande staatsschuld. De rente op de meest recent uitgegeven obligaties is nog lager. De rente op overheidsobligaties zou niet zijn gestegen want de kredietwaardigheid van de Nederlandse overheid zou nooit zijn aangetast bij 4,3 procent bbp meer staatsschuld.

Ongeveer 50 procent van de overheidsobligaties is bovendien in binnenlandse handen, bijvoorbeeld bij beleggers, pensioenfondsen, banken en verzekeraars. De rest is in handen van het buitenland. Zie ook deze gegevens van het CBS. Dat betekent dat van de 600 miljoen euro die de overheid minder aan rente betaalt, ook 300 miljoen minder wordt uitgekeerd aan binnenlandse obligatiehouders. De besparing voor de Nederlandse economie van lagere rentelasten op de overheidsschuld is daarmee 300 miljoen euro.

De winst van 300 miljoen euro per jaar aan lagere rente-uitgaven op de uitstaande staatsschuld staat in zeer schril contrast met het structurele inkomensverlies voor onze hele economie. Wanneer alle inkomensverlies permanent zou worden, dan verliest Nederland zo’n 40 miljard euro aan inkomen, ieder jaar weer.

Deze simpele cijfers — jaarlijks maximaal 300 miljoen lagere rentelasten voor Nederland tegenover jaarlijks mogelijk 40 miljard minder inkomen voor de publieke en private sector samen — laten zien dat het begrotingsbeleid krankzinnig kostbaar was.

En de overheid heeft zichzelf met het begrotingsbeleid grandioos in de voet geschoten. De overheid hoeft 600 miljoen minder rente te betalen, maar loopt wel ieder jaar ongeveer 15 miljard euro aan inkomsten mis als alle schade aan de economie permanent zou worden. Met andere woorden: het begrotingstekort is door de lagere rentelasten met maximaal 0,1 procent bbp gedaald, terwijl het tekort ieder jaar ongeveer met 2-2,5 procent bbp toenam door de lagere belastinginkomsten. Die verslechtering van het begrotingstekort is gelijk aan bijna de helft van de houdbaarheidswinst van alle hervormingen die Nederlandse regeringen hebben doorgevoerd sinds Balkendende-IV. Denk aan de hogere AOW-leeftijd. Denk aan de ingrepen in de hypotheekrenteaftrek. Denk aan de decentralisatie van de zorg. De helft van de winst van die hervormingen zou dan door onverstandig begrotingsbeleid in rook zijn opgegaan.

Stel dat we structureel 5,5-6 procent meer werkgelegenheid hadden gehad. Dat zijn ongeveer 385.000-420.000 voltijdsbanen meer op de 7 miljoen arbeidsjaren die we nu aan werkgelegenheid hebben hebben, zie het CPB. Wiebes wilde met zijn belastingplan structureel 100.000 banen creëren. Daar kwam niets van terecht. Dat worden er — als we geluk hebben en de Eerste Kamer instemt — 35.000. Dat is ongeveer een tiende van de werkgelegenheid die we mogelijk mislopen door falend macro-economisch management door alle overheden sinds 2011. Een beter begrotingsbeleid was een superieur recept voor meer banen geweest. Het is alleen niet gebeurd.

De grote vraag is: hoe permanent wordt de schade van de Grote Recessie aan onze economie? Met andere woorden: hoe sterk is hysterese? Dat antwoord kunnen we nog niet precies weten, maar is cruciaal voor de vraag hoe kostbaar het het begrotingsbeleid van 2011-2017 is geweest. Bovenstaande cijfers waren gebaseerd op de aanname dat alle schade permanent zou worden. In de volgende tabel laat ik zien hoe de maatschappelijke kosten-batenanalyse van het begrotingsbeleid heeft uitgepakt bij andere multipliers en andere hysteresecoëfficienten. De tabel analyseert de kosten en baten van het niet laten doorgaan van de gehele 6,5 procent bbp aan bezuinigingen en lastenverzwaringen. Zie hier de Excel-sheet.

mkba_begrotingsbeleid

De conclusie dat het begrotingsbeleid Nederland sterk heeft verarmd geldt onverkort wanneer de Nederlandse economie drie kwart, de helft of zelfs maar een kwart van het inkomen structureel zou zijn verloren. Zie de tabel, middelste kolom.  Nederland verliest dan geen 40 miljard euro per jaar, maar respectievelijk 30, 20 of 10 miljard euro per jaar, netto. De som wordt dan: jaarlijks 300 miljoen lagere rentelasten tegenover een inkomensverlies van 30, 20 of 10 miljard euro.

En de conclusie geldt ook onverkort als de rente op de staatsschuld tweemaal (4 procent) of driemaal (6 procent) hoger zou zijn geweest. De maatschapelijke baten van lagere rentelasten op de staatsschuld waren dan geen 300 miljoen, maar 600 of 900 miljoen euro. Dit valt allemaal in het niet bij het inkomensverlies van tientallen miljaren euro’s.

En de conclusies gelden ook wanneer de multiplier geen 0,9 maar 0,6 zou zijn geweest. De maatschappelijke verliezen van het begrotingsbeleid zouden dan oplopen van 6 miljard euro per jaar (25 procent hysterese) tot 26 miljard euro per jaar (100 procent hysterese). En de conclusies worden nog schrikbarender wanneer de multipliers hoger zouden zijn dan de 0,9 die het CPB heeft aangenomen in haar sommen. Dit is aannemelijk in een balansrecessie en een bindende nulondergrens op de rente.

Op basis van de beste huidige inzichten kan daarom een pijnlijke conclusie worden getrokken: het Nederlandse begrotingsbeleid van 2011-2017 is extreem kostbaar geweest. Het gevoerde beleid kost bij huidige inzichten zo’n 20-30 miljard euro per jaar aan gemiste groei wanneer de schade van de grote recessie voor de helft tot driekwart permanent wordt. Zo’n inkomensverlies is het equivalent van zo’n 200.000 tot 300.000 banen. En dat op een rentebesparing van ongeveer 300 miljoen euro per jaar voor de hele economie.

Het Nederlandse begrotingsbeleid werd alle jaren geschraagd door een diep gewortelde consensus onder alle ‘verantwoordelijke’ politieke partijen: VVD, PVV, PvdA, CDA, D66, GroenLinks, CU en SGP. Deze partijen hebben mesjogge begrotingsbeleid gevoerd dat een derde van de Grote Recessie in Nederland heeft veroorzaakt. Het heeft er alle schijn van dat het overgrote deel van het inkomensverlies structureel is geworden (hysterese). En dat terwijl we een macro-economisch verwaarloosbaar voordeel hebben behaald van lagere rentelasten op de staatsschuld. Het is tragisch dat we de lessen van de geschiedenis niet hebben geleerd en sinds 2011 in volle glorie de fouten van de jaren 30 hebben herhaald.

 

* Overigens kunnen ook bij de CPB-sommen vraagtekens worden gezet. Het CPB heeft haar ramingen gemaakt op basis van het Saffier-model. Het kan goed zijn dat de schade groter was de afgelopen jaren. Het CPB heeft toegegeven de schade van bezuinigingen en lastenverzwaringen te hebben onderschat. Zie hier in het CEP van 2013 (sectie 1.2). Ook blijkt het Saffier-model toch wel een merkwaardige eigenschap te hebben: de multipliers lijken door de tijd heen wat groter te worden, groter dan 1, in plaats van kleiner. Meer onderzoek met andere (nieuwe?) macro-modellen is daarom nog steeds nodig. De kosten van het begrotingsbeleid tijdens de Grote Recessie kunnen daarom best hoger uitvallen.

Written by basjacobs

26 november 2015 at 17:38

Geplaatst in economie

%d bloggers liken dit: