Politieke Economie – Bas Jacobs

Zijn belastingen op consumptie minder verstorend dan belastingen op arbeidsinkomen? (zeer wonkish)

Die vraag wordt door een aantal economen met ja beantwoord, zo bleek uit reacties op Twitter naar aanleiding van mijn blog van gister. Mathijs Bouman, Pieter Gautier, Bas van der Klaauw en Koen Caminada hebben redenen om te denken dat het beter is om consumptie te belasten dan arbeidsinkomen. Mathijs ziet een mogelijkheid tot fiscalisering van de AOW via de achterdeur. Pieter verwijst naar initiële vermogens (zoals erfenissen) en suggereert dat mensen met een sterker stijgend inkomensprofiel meer btw betalen. Bas van der Klaauw betoogt dat een btw-ib verschuiving de facto leidt tot een fiscale devaluatie. Koen Caminada verwijst naar een studie die laat zien dat consumptiebelastingen schadelijker zijn voor de groei dan belastingen op inkomen. Daarnaast vroeg Martin Visser zich eigenlijk af waarom belastingen op consumptie minder schadelijk zouden kunnen zijn dan op arbeidsinkomen, zoals ook Sijbren Cnossen eerder heeft beweerd in De Telegraaf.

De stelling in mijn blog van gister is dat het niet veel uitmaakt of we arbeidsinkomen of consumptie belasten. In deze blog laat ik dat formeel zien. Daarnaast laat ik zien onder welke omstandigheden dit niet zo is. Ik zal ook betogen dat het goed denkbaar is dat de btw veel verstorender is dan de belasting op arbeidsinkomen.

Spoileralert: deze blog is door gebruik van wiskunde minder geschikt voor minder ingevoerde lezers.

Om mijn claims te onderbouwen analyseer ik een eenvoudig model. Mensen consumeren goederen c. Ik maak geen onderscheid tussen verschillende goederen. Het btw-tarief is \tau _{c}. Daarnaast bieden ze arbeid l aan. Het inkomen uit werk is gelijk aan wl, waar w de (reële) loonvoet is per gewerkt uur. Arbeidsinkomen wordt belast met tarief \tau _{l}. De prijs van het consumptiegoed is genormaliseerd op 1 zonder verlies aan algemeenheid. De budgetrestrictie van het huishouden is dan gelijk aan:

(1+\tau _{c})c=(1-\tau _{l})wl.

Hier staat dat alle netto arbeidsinkomen wordt uitgegeven aan consumptie. Uit deze budgetrestrictie volgt direct een belangrijke equivalentie: een (uniforme) consumptiebelasting is hetzelfde als een proportionele belasting op arbeidsinkomen. Dit is de hoofdstelling van mijn eerdere blog.

Dit betekent ook dat belastingen op consumptie in beginsel niet minder verstorend zijn dan belastingen op arbeidsinkomen. Een belasting is minder verstorend wanneer de private relatieve opbrengst van een uur werk in termen van consumptie \frac{(1-\tau _{l})w}{1+\tau _{c}}, het netto reële loon, dichter ligt bij de maatschappelijke relatieve prijs van vrije tijd in termen van consumptie w, het bruto reële loon. De prikkel om te werken wordt verlaagd door zowel het tarief op arbeidsinkomen als op de btw. De economische verstoringen zijn het laagst als het effectieve marginale tarief op arbeid 1-\frac{1-\tau _{l}}{1+\tau _{c}}=\frac{\tau _{l}+\tau _{c}}{1+\tau _{c}} zo laag mogelijk is. De prikkel om te werken verandert niet als mensen minder arbeidsbelasting \tau _{l} betalen, gefinancierd door een verhoging van de btw \tau _{c}, zolang belastingopbrengst hetzelfde blijft.

Toch denkt een aantal economen wel dat de btw minder verstorend is dan de belasting op arbeid. Waarom is dat?

Ten eerste, het is natuurlijk niet noodzakelijk zo dat alle inkomen gelijk is aan arbeidsinkomen alleen. Stel dat mensen niet-arbeidsinkomen b hebben. Dit kan bijvoorbeeld een (pensioen)uitkering zijn of vermogen. Dit gaf ik ook al aan in mijn blog. Indien niet-arbeidsinkomen helemaal niet wordt belast, dan vervalt de equivalentie tussen belastingen op consumptie en inkomen:

(1+\tau _{c})c=(1-\tau _{l})wl+b.

Alle inkomen — arbeidsinkomen en niet-arbeidsinkomen — wordt besteed aan consumptie. Een belasting op consumptie is nu minder verstorend dan de belasting op arbeidsinkomen, omdat de consumptiebelasting wel (indirect) het niet-arbeidsinkomen b belast; namelijk wanneer dat inkomen wordt omgezet in consumptie. De belasting op consumptie kan dan daarom dezelfde opbrengst genereren met lagere effectieve tarieven. Dus zijn er sterkere economische prikkels om arbeid aan te bieden.

Echter, stel nu dat niet-arbeidsinkomen wordt belast met \tau _{b}. Indien het niet-arbeidsinkomen op dezelfde wijze wordt belast als arbeidsinkomen (\tau _{l}=\tau _{b}), dan geldt wederom de equivalentie tussen een uniforme belasting op consumptie en inkomen:

(1+\tau _{c})c=(1-\tau _{l})(wl+b).

De crux is dus of er niet-arbeidsinkomen is dat lager of niet wordt belast dan arbeidsinkomen, bijvoorbeeld pensioenen. In dat geval is een consumptiebelasting minder verstorend dan een belasting op arbeidsinkomen. Dat komt omdat een belasting op consumptie niet alleen de werkenden, maar ook indirect de gepensioneerden zwaarder belast. Dit is het fiscaliseringsargument van Mathijs Bouman.

Sterk hieraan gerelateerd is het argument dat een eenmalige en niet-voorziene verhoging van de consumptiebelasting een eenmalige heffing impliceert op reeds geaccumuleerd vermogen van huishoudens — dit staat ook in het voorbijgaan genoemd in mijn blog. Dat kan zeer doelmatig zijn, aangezien geaccumuleerd vermogen verzonken is op het moment van heffing en er dus geen gedragsreacties optreden. Echter, wanneer de btw-verhoging wordt voorzien, dan werkt een stijgende consumptiebelasting als een belasting op besparingen en verstoort daarmee het spaargedrag — zie ook beneden voor meer uitleg.

De winst van de belastingverschuiving ontstaat dus omdat de belastingdruk wordt verschoven van mensen die werken naar mensen die dat niet doen. Exact dezelfde winst kan ook worden bereikt door de pensioenen te verlagen of de vermogens eenmalig te belasten en dat terug te geven in de vorm van lagere belastingen voor werkenden. Daarvoor hoeft geen verschuiving van de btw naar de ib te worden gedaan. Echter, wanneer de gepensioneerden of vermogenden worden gecompenseerd voor de hogere btw dan geldt weer dat belastingen op arbeid hetzelfde zijn als belastingen op consumptie. Dan is het weer allemaal lood om oud ijzer of we consumptie of arbeidsinkomen belasten.

Ten tweede, mensen consumeren niet alleen, ze sparen ook of laten erfenissen na. Dit is tot nu toe een statische setting zonder besparingen waarin dit niet kan worden geanalyseerd. Maar we kunnen het model eenvoudig uitbreiden.

In een dynamische setting met besparingen moet over het leven gelden dat de contante waarde van de consumptie gelijk is aan de contante waarde van het inkomen, plus de waarde van initiële bezittingen b_{0} (bijvoorbeeld doordat een erfenis wordt ontvangen) minus de contante waarde van weggegeven bezittingen aan het einde van het leven b_{T} (doordat een erfenis wordt nagelaten). In wiskunde:

\sum_{t=0}^{T}\frac{(1+\tau _{c})c_{t}}{(1+r)^{t}}=\sum_{t=0}^{T} \frac{(1-\tau _{l})w_{t}l_{t}}{(1+r)^{t}}+b_{0}-b_{T}.

Ik heb hier aangenomen dat belastingen en rentevoeten constant zijn door de tijd en dat er geen belasting op kapitaalinkomen wordt geheven. Op dat laatste kom ik zo terug.

Als we de contante waarde van consumptie definiëren als C\equiv \sum_{t=0}^{T}\frac{c_{t}}{(1+r)^{t}} en de contante waarde van
arbeidsinkomen als WL\equiv \sum_{t=0}^{T}\frac{w_{t}l_{t}}{(1+r)^{t}}, dan zien we dat dit exact kan worden geschreven zoals in het statische model:

(1+\tau _{c})C=(1-\tau _{l})WL+b_{0}-b_{T}.

Dus geldt de equivalentie tussen consumptiebelastingen en proportionele belastingen op arbeidsinkomen nog steeds indien kinderen net zo veel erven van hun ouders als ouders weggeven aan hun kinderen (b_{0}=b_{T}):

(1+\tau _{c})C=(1-\tau _{l})WL.

Merk ook op dat het niet uitmaakt — in tegenstelling tot de suggestie van Pieter Gautier — wanneer mensen hun geld verdienen en wanneer mensen consumeren zolang de belastingtarieven vlak en constant zijn door de tijd. De equivalentie tussen belastingen op consumptie en arbeidsinkomen gaat dan nog steeds op.

Een zeer belangrijke relativering bij het argument van erfenissen als bron van (deels) onbelast inkomen is dat ook rekening moet worden gehouden met de erflaters. De grondslag voor de btw gaat juist omlaag doordat mensen een erfenis b_{T} achterlaten en dat inkomen dus niet zelf consumeren en daarover btw betalen. Voor de economie als geheel moet natuurlijk ook gelden dat er net zoveel wordt nagelaten als dat er wordt geërfd, dus dat b_{0}=b_{T}. Erfenissen zijn daarom in beginsel geen goede reden waarom de btw minder verstorend is dan de inkomstenbelasting.

Indien we het model zouden uitbreiden met altruïstische ouders zoals in Barro (1974), die optimaal hun kinderen een erfenis nalaten, dan zouden we een budgetrestrictie voor een hele dynastie — een ketting van ouders met al hun kinderen en kleinkinderen — kunnen opschrijven, die eruit ziet als

(1+\tau _{c})C=(1-\tau _{l})WL+b_{0}-b_{\infty }.

Waar de hoofdletters nu staan voor de contante waarden van consumptie en arbeidsinkomen in de gehele dynastie. Als nu de oerouders helemaal aan het begin van hun dynastie begonnen met nul vermogen (b_{0} = 0), en hun achter-achterkleinkinderen aan het einde der tijden geen vermogen meer (hoeven) hebben (b_{\infty }=0), dan geldt wederom dat een vlakke consumptiebelasting gelijk is aan een proportionele inkomstenbelasting:

(1+\tau _{c})C=(1-\tau _{l})WL.

Erfenissen zijn daarom ook in deze meer algemene setting geen goede reden om te veronderstellen dat de btw minder verstorend zou zijn dan de belasting op arbeidsinkomsten.

Ten derde, het belangrijkste argument in de economische literatuur dat de btw als minder verstorend wordt gezien dan de inkomstenbelasting geldt voor een synthetische inkomstenbelasting, waarbij arbeidsinkomen en kapitaalinkomen gezamenlijk onder hetzelfde tarief \tau _{i} worden belast. En dit is ook het argument dat door Cnossen in diverse publicaties wordt genoemd, zie bijvoorbeeld Cnossen en Bovenberg (1997) en Cnossen (2011). Dit kan ook zijn uitspraken in De Telegraaf verklaren.

In de meeste landen — en voor 2001 ook in Nederland — wordt belasting geheven over de som van het arbeids- en kapitaalinkomen. Onder een synthetische inkomstenbelasting — en zonder erfenissen — kan de dynamische budgetrestrictie van een huishouden worden geschreven als:

\sum_{t=0}^{T}\frac{(1+\tau _{c})c_{t}}{(1+(1-\tau _{i})r)^{t}} =\sum_{t=0}^{T}\frac{(1-\tau _{i})w_{t}l_{t}}{(1+(1-\tau _{i})r)^{t}}.

In dit geval is het zeer eenvoudig om aan te tonen dat een belasting op consumptie minder verstorend is dan een belasting op inkomen. Dit gaat al terug naar Pigou (1928). De belasting op inkomen verstoort het arbeidsaanbod, net als een belasting op consumptie. Bij gelijke opbrengst maakt het daarom niet uit voor de verstoringen in de arbeidsmarkt of de overheid btw of ib heft. Echter, bij een synthetische inkomstenbelasting, verstoort de overheid ook de spaarbeslissing. Het netto rendement op sparen wordt door de inkomstenbelasting verlaagd van r naar (1-\tau _{i})r. Dus toekomstige consumptie wordt duurder in termen van huidige consumptie: mensen moeten meer consumptie vandaag opofferen om een eenheid consumptie morgen te krijgen. Een vlakke consumptiebelasting verstoort de spaarbeslissing daarentegen niet: het tarief op consumptie op verschillende tijdstippen is gelijk. Dus maakt het fiscaal niet uit op welk tijdstip mensen consumeren; hun belastingdruk blijft gelijk. Dit is de echte reden waarom veel economen vinden dat een consumptiebelasting efficiënter is dan een belasting op inkomen.

Echter, dit inzicht is in het geheel niet van toepassing op de Nederlandse discussie. Nederland heeft namelijk geen synthetische inkomstenbelasting waarin arbeids- en kapitaalinkomen gezamenlijk worden belast onder één tarief. Nederland heeft een boxenstelsel waarin arbeidsinkomen gescheiden wordt belast van kapitaalinkomen. De discussie in Nederland gaat daarom over de vraag of de btw doelmatiger is dan de belasting op arbeidsinkomen in box 1. En zoals ik heb betoogd, is het dan lood om oud ijzer of arbeidsinkomen of consumptie wordt belast.

Ten vierde, er is ook sprake van onbelaste consumptie. Dit argument wordt eigenlijk nooit genoemd in de discussie, ook door mij niet. Maar ik realiseer me nu dat dat heel vreemd is. Volgens het CPB (2014) is zo’n 60 procent van alle consumptie onbelast door het nultarief of de vrijstellingen in de btw. Denk bijvoorbeeld aan het onderwijs, de zorg, de overheid of de financiële sector. Daarnaast valt ook alle consumptie in de informele en zwarte sector niet onder de btw. Denk aan de baten van huishoudproductie (koken, schoonmaken, zorg voor kinderen, klussen) en de consumptie van onbelaste zwarte goederen en diensten.

Om de gevolgen van onbelaste consumptie te analyseren keren we nu weer terug naar het simpele statische model. Laat de onbelaste consumptie c_{0} zijn. Als we niet-arbeidsinkomens op nul zetten (b=0), dan is de budgetrestrictie van het huishouden gelijk aan:

c_{0}+(1+\tau_c)c=(1-\tau_l )wl.

Hier zien we dat de belasting op arbeidsinkomen potentieel veel minder verstorend is dan de btw. De reden is dat de belasting op arbeidsinkomen mensen al raakt voordat ze hun geld kunnen uitgeven aan onbelaste goederen en diensten. De conclusie is dan dat de inkomstenbelasting minder verstorend is dan de btw als een groot deel van de consumptie niet wordt belast door de btw.

Dit is een potentieel belangrijk argument. 60 procent van de totale consumptie van zo’n 500 miljard euro wordt niet belast. Dat is 300 miljard euro aan consumptie, oftewel 40 procent van het bbp. We kunnen we er dan gevoeglijk van uitgaan dat dit kwantitatief veel belangrijker is dan het effect van lager-belaste inkomens die niet uit arbeid worden verkregen, zoals pensioenen en uitkeringen. Het is daarom zeer wel denkbaar dat de inkomstenbelasting juist veel efficiënter is dan de btw.

Vandaar dat ik ook niet direct overtuigd ben van de studie die door Koen Caminada wordt gesuggereerd (Prammer, 2011). De modelsimulaties die worden geciteerd in dit paper produceren natuurlijk resultaten die het gevolg zijn van modelaannames, zoals de aanname van een synthetische inkomstenbelasting of dat alle consumptie wordt belast. Daarnaast ben ik uitermate sceptisch over de resultaten van groeiregressies op een panel van landen, zoals die in dat artikel worden samengevat. Vrijwel alle resultaten uit schattingen van groeiregressies zijn fragiel, zie ook Levine en Renelt (1992).

Ten vijfde, en tot slot, Bas van der Klaauw suggereert dat de btw-ib verschuiving zinvol kan zijn om een ‘fiscale devaluatie’ te bewerkstelligen. Echter, dit werkt alleen goed als de btw wordt verhoogd en de werkgeverslasten op arbeid (niet de ib) worden verlaagd. Op die manier kan Nederland zijn loonkosten per eenheid product verlagen en een verbetering van de concurrentiepositie realiseren. Zie ook De Mooij en Keen (2013) en Farhi et al. (2014).

Fiscale devaluaties werken echter alleen goed als de wisselkoers vastligt — een redelijke aanname voor Eurolanden — en de lonen rigide zijn. Dat laatste is minder waarschijnlijk. Wanneer bijvoorbeeld vakbonden doorkrijgen dat een fiscale devaluatie leidt tot een daling van het reëel besteedbaar loon van werknemers, zullen de lonen worden verhoogd en dan verdampt het prijsconcurrentievoordeel. Dat geldt waarschijnlijk op de lange termijn.

Bovendien treedt het voordeel maar beperkt of helemaal niet op wanneer de ib op werknemers in plaats van werkgevers wordt verlaagd, zoals in de kabinetsplannen. Het arbeidsaanbod is betrekkelijk inelastisch en de arbeidsvraag is behoorlijk elastisch. De belastingen (en hun verlagingen) worden daarom vooral gedragen door de minst elastische kant van de arbeidsmarkt: de werknemers. Daardoor leidt maar weinig van de ib-verlaging tot een daling van de loonkosten voor werkgevers. We mogen daarom niet veel van een ‘fiscale devaluatie’ verwachten.

De conclusie is dat een belasting op consumptie gelijk is aan een belasting op arbeidsinkomen indien alle consumptie en alle inkomen worden belast. Een lastenverschuiving van arbeid naar consumptie is daarom in beginsel ook lood om oud ijzer. De standaardredenering dat consumptiebelastingen efficiënter zijn dan inkomstenbelastingen geldt vooral onder een synthetische inkomstenbelasting waarbij arbeids- en kapitaalinkomen onder een tarief worden belast. Dit gaat niet op in Nederland waar arbeids- en kapitaalinkomens gescheiden worden belast in het boxensysteem. Er kunnen redenen zijn waardoor de equivalentie tussen inkomstenbelastingen en consumptiebelastingen niet opgaat. Die hebben te maken met onbelaste inkomens die niet door de arbeidsbelasting worden geraakt of met onbelaste consumptie die niet door de btw wordt geraakt. En het zou best kunnen zijn onbelaste consumptie vele malen belangrijker is dan onbelast arbeidsinkomen. Dan zou de btw zelfs schadelijker kunnen zijn dan de belasting op arbeid.

Literatuur

Barro, Robert J. (1974), “Are Government Bonds Net Wealth?”, Journal of Political Economy, 82, 1095–1117.

CPB (2014), “Bouwstenen voor een Moderne Btw”, CPB Policy Brief, No. 2014/2, Den Haag: CPB.

Cnossen, Sijbren (2011), “A VAT Primer for Lawyers, Economists, and Accountants”, Tax Analysts, 23-51.

Cnossen, Sijbren, en A. Lans Bovenberg (1997), Verschuiving van Lastendruk: Lood om Oud IJzer?, Economisch Statistische Berichten, 4098 (82), 224-227.

Emmanuel Farhi, Gita Gopinath, en Oleg Itskhoki (2014), “Fiscal Devaluations”, Review of Economic Studies, 81 (2), 725–760.

Levine, Ross en David Renelt (1992), “A Sensitivity Analysis of Cross-Country Growth Regressions”, American Economic Review, 82, (4), 942-963.

Mooij, Ruud A. de, en Michael Keen (2013), “”Fiscal Devaluation” and Fiscal Consolidation: The VAT in Troubled Times” in: Alberto Alesina en Francesco Giavazzi (eds.), Fiscal Policy after the Financial Crisis, hst. 11, pp. 486-493.

Pigou, Arthur C. (1928), A Study in Public Finance, London: MacMillan.

Prammer, Doris (2011), “Quality of Taxation and The Crisis: Tax Shifts from a Growth Perspective”, TAXUD Working Paper No. 29, Brussels: European Commission.

Written by basjacobs

6 januari 2019 bij 15:59

Geplaatst in economie

%d bloggers liken dit: