Archive for the ‘overheidsfinanciën’ Category
Rutte en De Jager reageren, kamervragen Koolmees
Rutte heeft gister bij RTL gereageerd in een interview met Frits Wester op mijn stuk in het FD. Zie dit filmpje bij 5.4o min ongeveer. Ben benieuwd wat de regering gaat zeggen in reactie op mijn stuk.
Op de VVD-site hebben ze hetzelfde flimpje geplaatst, alleen daar hebben ze de passage over mijn FD-stuk uitgeknipt. Fascinerend. Blijkbaar hebben ze toch weinig trek in deze discussie. Zie het volgende filmpje op youtube, de knip zit bij 2:50 min:
Wouter Koolmees – financieel woordvoerder D66 – heeft kamervragen gesteld aan Minister de Jager van Financiën, zie hier.
Vanochtend zat ik bij BNR in de uitzending bij peptalk. Jan Kees de Jager was de host. Luister naar het volgende fragment. Willem Vermeend is het met mijn FD-stuk eens. Minister de Jager trekt nog steeds een soort mistgordijn op door te spreken over bezuinigingen, ombuigingen (haags jargon voor bezuinigen), lastenverzwaringen en financieringsschuiven (die bij de zorg eigenlijk lastenverzwaringen gekoppeld aan uitgavenverhogingen zijn).
Daarnaast zegt hij dat ik de bezuiniging op de zorgtoeslag als een lastenverzwaring meetel. Dat is incorrect. Die staat in de CPB-sommen — waarop ik me baseer — gewoon onder de bezuinigingen. Zie tabel A.1, regel 2.
Ook verwijt hij mij te goochelen met cijfers, als het gaat over de oploop van de zorgpremies met zo’n 3,6 miljard euro. Hij beweert dat dit geen lastenverzwaring is. Volgens mij is dat niet juist. Zie mijn uitgebreide artikel.
Ik kreeg van ‘gespreksleider’ De Jager helaas wat weinig spreektijd om dit toe te lichten…
Regering Rutte bezuinigt geen 18 miljard, maar nog geen 9 miljard
Vandaag staat er in het Financieele Dagblad een opiniestuk van mijn hand. Centrale boodschap is dat regering Rutte haar eigen begrotingsprestaties veel te rooskleurig voorstelt.
De regering beweert gedurende de komende regeerperiode 18 miljard euro te bezuinigen. Niets is minder waar. De bezuinigingen bedragen met 8¾ miljard euro minder dan de helft. Daarnaast verzwaart de regering de lasten met 6¼ miljard. De regering veegt sterk stijgende zorgkosten en zorgpremies onder het tapijt, schat de opbrengsten van bezuinigingen te rooskleurig in en vergeet een lastenverzwaring bij de pensioenen te vermelden. De regering telt bovendien op een oneigenlijke manier 3¼ miljard euro van Balkenende-IV mee bij haar eigen begrotingsprestaties.
Hein de Kort heeft een fantastische cartoon bij het stuk getekend:

Zie het uitgebreide artikel waarin ik de claims in het FD-stuk onderbouw.
AOW-spaarfonds (vervolg)
NRC Handelsblad doet vanavond verslag van de discussie rond het AOW-spaarfonds.
Hef AOW-spaarfonds op
Morgenochtend mag ik aanschuiven in de Tweede Kamer om mijn opvatting te geven over het zogenaamde AOW-spaarfonds. Dit wordt mijn inbreng in de discussie:
In dank de Commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de uitnodiging om te spreken over het AOW-spaarfonds. Ik kan alvast beginnen met mijn conclusie: het AOW-spaarfonds moet worden opgeheven. Het bestaat alleen op papier in de Miljoenennota en nergens anders. Het is een virtueel fonds dat geen geld bevat.
Het zogenaamde AOW-spaarfonds kan als volgt worden getypeerd. De overheid heeft een spaarpot gemaakt waarin ze geld stort ten behoeve van de financiering van de AOW. Dat geld verkrijgt ze door te lenen op de kapitaalmarkt middels uitgifte van staatsobligaties, maar niet door belastingen te verhogen of uitgaven te verlagen. Met de netto vermogenspositie van de overheid verandert bijgevolg niets; het vermogen in de spaarpot kan precies worden weggestreept tegen de hogere staatsschuld.
Fondsvorming vindt alleen plaats als de staatsschuld daalt. In dat geval ontstaat in de toekomst extra bestedingsruimte voor de AOW door de vrijvallende rentelasten. Maar er is door de introductie van het AOW-spaarfonds geen extra geld gereserveerd om de AOW te bekostigen. De staatsschuld daalt immers niet. Voor het verlagen van de staatsschuld zijn vroeger of later lagere overheidsuitgaven of hogere belastingen nodig teneinde het EMU-tekort terug te dringen.
Ik wil u twee citaten voorleggen die mijn stelling onderbouwen. Het eerste komt uit het advies van de Studiegroep Begrotingsruimte uit 2006:
“In de huidige situatie kan ten onrechte het beeld ontstaan dat het vergrijzingsprobleem is opgelost als er maar voldoende wordt afgedragen aan het AOW-spaarfonds. Dit is echter niet het geval. Zonder extra bezuinigingen betekent een hogere afdracht aan het AOW-spaarfonds simpelweg een hoger tekort op de rijksbegroting. Op de totale houdbaarheid heeft deze storting geen effect.” (Studiegroep Begrotingsruimte, 2006, p.19).
Het tweede citaat komt van Flip de Kam (Hoogleraar Overheidsfinanciën RUG), Lense Koopmans (Hoogleraar Economie Gezondheidszorg, RUG) en Nout Welllink (President DNB) uit hun leerboek over overheidsfinanciën:
“Ogenschijnlijk is met ingang van 1997 een begin gemaakt met gedeeltelijke kapitaaldekking van de AOW. Sindsdien staat ieder jaar onder de uitgaven op de rijksbegroting een storting in het Spaarfonds AOW. Deze storting wordt tegelijk weer geboekt als ontvangst van de rijksoverheid. Beide bedragen vallen dus tegen elkaar weg. [...] De fondsconstructie suggereert een gedeeltelijke overstap van omslagfinanciering naar kapitaaldekking. Zij is ingegeven door de wens van politici onrust over de toekomst van de AOW te bezweren. Van kapitaaldekking is echter geen sprake. Het Spaarfonds bestaat alleen maar op papier. In de toekomst valt een onttrekking aan het fonds alleen te financieren door te bezuinigen op de overheidsuitgaven of door de rijksbelastingen te verhogen. Die maatregelen zou de overheid vanaf 2020 ook moeten treffen wanneer nooit een Spaarfonds was gevormd! Het patroon van overheidsuitgaven en –ontvangsten in de tijd – en dus het beloop van begrotingssaldo en staatsschuld – staat los van de stortingen die (alleen op papier) in het fonds plaatsvinden. De constructie biedt dus geen extra zekerheid inzake de toekomst van de AOW.” (De Kam, Koopmans en Wellink, 2008, p.153)
De conclusie is dat met de introductie van het zogenaamde AOW-spaarfonds de wetgever heeft gesuggereerd alsof er extra geld gereserveerd zou zijn voor het opvangen van de stijgende uitgaven aan de AOW vanwege de vergrijzing, terwijl dat niet het geval is.
Geachte leden van de Tweede Kamer, het AOW-spaarfonds is daarom naar mijn opvatting je reinste volksverlakkerij. Talloze burgers verkeerden, of verkeren nog steeds, ten onrechte in de veronderstelling dat extra middelen zijn gereserveerd voor de AOW.
Mijn collega Flip de Kam schreef al in 1999: “De instelling van het fonds is een vorm van ‘zwendel’ met de overheidsfinanciën zonder weerga.” En in 2004: “De hele constructie is echter niet meer dan een staaltje van superieur kiezersbedrog.”
Het is nu 2011. En we hebben het nog steeds over dat vermaledijde AOW-spaarfonds. Ik roep u daarom vandaag op
i) subiet een einde te maken aan het zogenaamde AOW-spaarfonds,
ii) burgers duidelijk te maken dat het fonds alleen op papier, maar nooit in het echt heeft bestaan en
iii) oprecht uw excuses aan te bieden voor het misleiden van de burger.
Ik dank u voor uw aandacht.
Referenties
De Kam, C.A. (1999), “De AOW-Affaire”, NRC Handelsblad, 11 februari, p.19.
De Kam, C.A. (1999), “Iedereen Rijk!”, NRC Handelsblad, 15 juli, p.12.
De Kam, C.A., L. Koopmans, en A.H.E.M. Wellink, (2008), Overheidsfinanciën, 12e druk, Groningen: Wolters-Noordhof.
Studiegroep Begrotingsruimte (2006), 12e Rapport: Vergrijzing en Houdbaarheid, Den Haag: Ministerie van Financiën.
Economen kraken zichzelf
Vorige week stonden hoogleraren Eijffinger en Van de Klundert in De Volkskrant met een kritiek op het Centraal Planbureau. De Volkskrant kopte opportunistisch: “Topeconomen kraken het CPB”. Ik kan in ieder geval moeilijk te bevatten hoeveel denkfouten deze twee economen maken.
Eijffinger en Van de Klundert maken allereerst een opmerking die feitelijk onjuist is: “Volgens het Centraal Planbureau (CPB) moeten de komende twee kabinetten 29 miljard euro bezuinigen met het oog op het houdbaarheidstekort, om de rekening van de crisis niet bij toekomstige generaties neer te leggen”. Even later beweren ze: “De manier waarop door het bureau vervolgens de discussie over houdbaarheid wordt aangezwengeld, is misleidend. Het hoeft allemaal niet ineens.”
Maar het CPB heeft nooit beweerd hoe snel het houdbaarheidstekort moet worden weggewerkt. DNB, de Studiegroep Begrotingsruimte en sommige politieke partijen hebben allemaal opvattingen over hoe snel het houdbaarheidstekort moet zijn weggewerkt, maar niet het CPB.
Eijffinger en Van de Klundert verwijten het CPB niet alle aspecten van de vergrijzing in ogenschouw te nemen in de berekeningen: “Het CPB bagatelliseert de baten van de vergrijzing en geeft zo geen evenwichtig beeld van dit probleem op lange termijn.” “Toekomstige generaties erven van de huidige generatie een productiepotentieel in de vorm van kapitaal, kennis en intangibles. Ook door de voortschrijdende technologische ontwikkeling zijn toekomstige generaties beter af.”
Dit verwijt is op zijn zachtst gezegd nogal onhandig. Eijffinger en van de Klundert vergissen zich dat de toekomstige generaties de huidige kapitaalgoederenvoorraad zullen erven. De claims op de kapitaalgoederenvoorraad zijn onze pensioenvermogens en spaartegoeden. Het leeuwendeel van de huidige kapitaalgoederenvoorraad zal in afzienbare tijd worden omgezet in pensioenuitkeringen en maar voor een beperkt deel in erfenissen voor toekomstige generaties.
Bovendien wordt door het CPB aangenomen dat de toekomstige generaties welvarender zullen zijn door productiviteitsgroei. Die productiviteitsgroei is de opbrengst van kennis en ‘intangibles’. Dus het CPB veronderstelt dat die opbrengsten gewoon in de sommen zitten. Het verwijt dat het dit niet zou doen, is niet terecht.
Waar gaan de ‘houdbaarheidssommen’ van het CPB over? Eijffinger en Van de Klundert voeden met ondoordachte opmerkingen het maatschappelijke onbegrip over de CPB-berekeningen. Deze sommen brengen de gevolgen van de vergrijzing in beeld voor de overheidsbegroting en pensioenvoorzieningen. Niets meer, en niets minder: dus alleen de overheidsbegroting en het pensioensysteem. Natuurlijk zijn er nog veel meer zaken die de welvaartsverdeling tussen generaties beïnvloeden. Denk bijvoorbeeld aan het milieu en klimaat. Maar je kunt geen model van alles maken: catch all, loose all. Voor andere vragen moeten andere modellen worden gebruikt.
Terecht wijzen Eijffinger en Van de Klundert op de baten van de vergrijzing. Door de toename van de levensverwachting neemt de private welvaart toe; de extra levensjaren zorgen voor een hoger potentieel levensinkomen. Daarnaast stijgt ook de kwaliteit van de extra levensjaren als gevolg van een betere gezondheidszorg en hulpmiddelen. Maar Eijffinger en Van de Klundert zetten de samenleving op het verkeerde been door niet te melden dat de baten van de vergrijzing privaat zijn, maar de kosten ervan publiek. Zolang de stijgende levensverwachting niet wordt omgezet in een hogere effectieve pensioenleeftijd en vrijwel alle kosten van gezondheidszorg publiek worden gefinancierd, zorgt vergrijzing voor private winsten en publieke verliezen.
Eijffinger en Van de Klundert maken het CPB een paar onterechte verwijten: “Bij de discussie over de bezuinigingen en het houdbaarheidstekort moet ook met de effecten van de te nemen maatregelen op de economische groei rekening worden gehouden. Het CPB doet dit niet en zet de structurele groei vast op 1,75 procent. Daardoor blijft onzichtbaar dat investeringen van de overheid in onderzoek, onderwijs en wellicht ook in de zorg de productiviteit verhogen. Dat kan mede een oplossing bieden voor het verdelingsvraagstuk tussen actieven en inactieven.” Ook Wouter Bos heeft in zijn hoedanigheid als Minister van Financiën vaak opmerkingen van vergelijkbare strekking gemaakt.
Het CPB neemt inderdaad de opbrengsten hogere van investeringen in onderwijs of R&D niet mee in de vergrijzingssom. Als de overheid nu investeringen wil doen om de groei te verhogen – en dat beleid passeert de kosten-batentest – is het een uitstekend idee om die investeringen te doen. Maar betekent dit nu dat de houdbaarheid van de overheidsfinanciën toeneemt zoals Eijffinger en Van de Klundert suggereren? Het antwoord is: nee.
Alle overheidsuitgaven zijn gekoppeld aan de economische groei: de uitkeringen voor AOW en pensioenen, de salarissen van zorgpersoneel en onderwijzers stijgen allemaal met de economische groei. Dat is een realistische aanname. Als dat niet zo zou zijn, en de salarissen en uitkeringen ontkoppeld zouden worden, dan zou er op termijn niemand meer in de overheidssector willen werken: geen leraren, geen verplegers en geen ambtenaren. Bovendien zullen dan sluipenderwijze alle (pensioen)uitkeringen dalen. Als de uitkeringen bijvoorbeeld alleen nog maar groeien met de prijzen in plaats van de lonen, zijn de uitkeringen ten opzichte van de lonen in waarde gehalveerd in 2050.
Het is daarom niet erg dat het CPB de structurele groei ‘vastzet’ in de vergrijzingssom. Zelfs als de groei door overheidsinvesteringen in onderwijs en R&D hoger zou worden (dat is nog geen uitgemaakte zaak), nemen automatisch ook de overheidsuitgaven toe. Een hogere economische groei levert geen bijdrage aan het verdelingsprobleem tussen actieven en niet actieven. Inactieven profiteren via de koppelingen net zo hard van de economische groei als de actieven. Alleen als je de overheidsuitgaven ontkoppelt van de groei, neemt de houdbaarheid toe. Maar dat zou ook het geval zijn als de groei niet toeneemt.
Het maatschappelijk onbegrip over de vergrijzingssommen van het CPB is alom tegenwoordig. De materie is ingewikkeld, net als de CPB-modellen. Het helpt dan niet als hooggeleerden met ondoordachte artikelen alleen maar meer maatschappelijke verwarring zaaien.
Eijffinger en Van de Klundert verwijzen naar een rapport van de inmiddels ter ziele gegane Raad voor Economisch Adviseurs. Zie hier een kritisch stukje dat ik ooit in De Groene Amsterdammer schreef over dat rapport.
Voor iedereen die geïnteresseerd is besprekingen van de CPB vergrijzingssommen, lees:
Bovenberg, A. Lans, en Bas Jacobs (2010), “Berekeningen van het CPB veel te Rooskleurig”, De Volkskrant, 1 april.
Jacobs, Bas (2009), “Politieke Economie en Methodologie van Vergrijzingssommen“, Tijdschrift voor Openbare Financiën, 41, (4), 199-218.
Bovenberg, A. Lans, en Bas Jacobs (2006), “Vele Hervormingen Nodig om Vergrijzing op te Vangen“, De Volkskrant, 21 maart.
Jacobs, Bas, en A. Lans Bovenberg (2006), “Voortschrijdend Inzicht in de Vergrijzing“, Tijdschrift voor Openbare Financiën, 38, (2), 62-79.
CPB: zegen voor de democratie
Het CPB ligt onder vuur. Dit is altijd zo in de aanloop naar de verkiezingen. Het CPB zegt dat sommige verkiezingsbeloftes niet haalbaar zijn. Politieke partijen raken vervolgens gefrustreerd en beginnen te miepen in de media. Dit jaar lijkt het erger dan normaal. Vermoedelijk komt dat omdat politieke partijen veel meer dan normaal gebakken lucht in hun verkiezingsprogramma’s hebben geblazen.
Wilders zegt dat dit misschien wel de laatste keer is dat de PVV zijn verkiezingsprogramma laat doorrekenen: “Doorrekenen door het CPB betekent dansen naar de pijpen van een clubje economen met een bepaalde achtergrond. De directeur is lid van de PvdA.” aldus Geert Wilders. Rita Verdonk is inmiddels afgehaakt, omdat het CPB een aantal van haar voorstellen onhaalbaar achtte.
Columnist Theodor Holman verliest zichzelf een beetje in buitengewoon scherpzinnige opmerkingen in Het Parool: “Nu wordt het CPB door de slijmballen die zogenaamd lief zijn geweest gebruikt als klassenleraar die je vertelt of je over bent of bent blijven zitten. Is het niet vreemd dat een zelfverklaarde PvdA-man, die directeur is van een regeringsorgaantje, alle partijprogramma s in het openbaar kritiseert?”
De Telegraaf kopieert even fantasie- als kritiekloos de teksten van Wilders: “Het CPB wekt de suggestie dat het met een politieke bril kijkt naar de verkiezingsprogramma’s. Het Planbureau wordt aangevoerd door een prominent PvdA’er (Teulings) en juist de PvdA zegt in haar programma niets duidelijks over de salarissen bij de overheid.”
Ik vraag me af wie er hier met een politieke bril kijkt. Dergelijke opmerkingen heb ik zelden uit Telegraaf-kringen vernomen toen Gerrit Zalm – openlijk VVD’er – directeur was van het CPB.
In weerwil van alle kritiek: het CPB is een zegen voor de democratie. Het CPB disciplineert politieke partijen door domweg te controleren of alle inkomsten en uitgaven wel netjes optellen. Dat voorkomt dat politici hun kiezers knollen voor citroenen kunnen verkopen. Het vertrouwen van kiezers in de politiek zou nog lager zijn als politici ongehinderd aan volksverlakkerij kunnen doen.
Politieke partijen hebben in hun verkiezingsprogramma’s veel meer beloofd dan ze kunnen waarmaken. De hardheid van de tientallen miljarden die politieke partijen denken te bezuinigen, bedragen van een historisch ongekende omvang, kan ernstig worden betwijfeld. Het is daarom terecht dat het CPB een rode streep haalt door sommige plannen.
Vrijwel alle politieke partijen boeken bijvoorbeeld niet onderbouwde ‘efficiency kortingen’ in bij de overheid: de overheid moet dan hetzelfde gaan doen met minder geld. Alleen wordt meestal niet uitgelegd hoe de overheid dan doelmatiger moet gaan werken. Het CPB zegt daarom: geen onderbouwing = geen bezuiniging.
De VVD en CDA willen bezuinigen op de lonen bij de overheid. Maar dat kan niet zomaar. De overheid kan wel de ambitie hebben om de lonen te matigen of bevriezen, maar in de onderhandelingen met de vakbonden zal pas blijken of dat lukt. De vakbonden zijn niet achterlijk en zien de bui allang hangen. Zie hun activisme de laatste weken. Grotere bezuinigingen op de lonen dan circa 4 miljard zijn behoorlijk lastig.
Het CPB heeft ook terecht de exploderende zorgkosten onderwerp van politiek debat gemaakt. Tot aan deze verkiezingen zaten alle kostenstijgingen in de zorg altijd automatisch ‘ingebakken’ in de begrotingskaders. Zo stijgen de zorgkosten in de huidige regeerperiode bijna twee keer zo hard als de economische groei. Maar het is een politieke keus om ieder jaar hogere zorgpremies te vragen en meer aan publiek gefinancierde zorg uit te geven.
Voor de komende regeerperiode veronderstelt het CPB dat de zorgkosten groeien met de economische groei gecorrigeerd voor de vergrijzing. Alle extra uitgaven die daar bovenop komen, worden verondersteld privaat gefinancierd te worden via hogere eigen bijdragen. Als politieke partijen geen hogere private bijdragen willen, is dat een prima te verdedigen politieke keuze. Maar dan zullen ze de komende regeerperiode wel bijna 4 mrd extra moeten bezuinigen of lasten verzwaren.
Natuurlijk is best kritiek mogelijk op het CPB. Maar die kritiek moet komen van economen, niet van politici.
Het is duidelijk dat sommige politieke partijen hun verkiezingsbeloftes niet goed kunnen waarmaken. Het is dan buitengewoon zwak om de boodschapper van het slechte nieuws te onthoofden. Op lange termijn hebben politieke partijen er niets aan als de reputatie van het CPB wordt beschadigd. Iedere politieke partij kan dan het volk weer ongehinderd een rad voor ogen draaien, zoals we dat zien in alle andere landen, die geen CPB hebben.
Griekenland, Odysseus en de Sirenen
Ik kan al een tijdje niet aanzien wat er met Griekenland gebeurt en de rol die Europa daarin speelt. De financiële markten vertrouwen niet langer dat Griekenland zijn staatschuld zal afbetalen. De rente op tweejarige Griekse staatsobligaties is met 10 procent inmiddels zo hoog geworden dat het een kwestie van tijd is dat Griekenland zal verzaken. Griekenland heeft daarom eindelijk bij IMF aangeklopt. Ook Europa zegt de Grieken dan tegemoet te komen met goedkope leningen.
De kern van het Griekse probleem laat zich het mooiste beschrijven met het verhaal van Homerus over Odysseus en de Sirenen. De Sirenen waren halfgodinnen, half vogel en half mens. De Sirenen waren beeldschoon en konden prachtig zingen. De Sirenen woonden op een eiland. Iedereen die was gezwicht voor de verlokkingen van de Sirenen keerde nooit meer levend van het eiland terug. Odysseus wist welk noodlot hem zou treffen als hij langs het eiland zou varen. Als de bemanning van zijn schip de gezangen van de Sirenen zou horen, zou ze zich niet kunnen weerhouden, de boot op de klippen laten lopen en schipbreuk lijden. Odysseus liet daarom de oren van zijn mannen vol smeren met bijenwas zodat ze de Sirenen niet zouden horen. Odysseus liet zichzelf aan de mast vastbinden om pas weer losgemaakt te worden als ze de Sirenen voorbij waren gevaren, terwijl hij vol van verlangen had geluisterd en vergeefs had gesmeekt om zijn handen los te maken.
De bemanning van de boot zijn de Griekse politici. De Griekse bevolking zijn de Sirenen. De politici bezwijken voor de verlokkingen van de Sirenen. De bevolking accepteert niet dat het land op de rand van het bankroet verkeert. Ze protesteren tegen de regering omdat ze niets willen inleveren van hun pensioenen of uitkeringen, de ambtenaren willen geen salaris inleveren en de bevolking wil (nog steeds) niet echt hogere belastingen betalen. Ze steken hun hoofd in het zand en geven de schuld aan corrupte politici, die ze zelf hebben gekozen. Ook wordt de zwarte piet naar de bankiers gespeeld. Natuurlijk treffen die ook blaam, maar de problemen in de Griekse overheidsfinanciën waren er allang, ook voordat de financiële crisis losbarstte.
De bevolking ‘verlokt’ de Griekse politici om te blijven lenen, alleen moeten ze daarvoor steeds hogere tarieven betalen. Uiteindelijk wordt die schuldenlast zo hoog dat uiteindelijk de Griekse economie op de rotsen loopt.
Papandreou, de Griekse president, zou de Odysseus van het verhaal moeten zijn. Alleen lukt het nog niet om zijn handen aan de mast te binden en zijn volksvertegenwoordigers de oren vol met was te stoppen. De financiële markten geloven nog steeds niet dat zijn begrotingsvoorstellen voldoende zijn, dus schroeven ze de rente verder op. Alleen met ingrijpende hervormingen van de overheidsfinanciën kan de Griekse economie langs de rand van de afgrond worden geloodst.
Europa snapt kennelijk nog steeds niet de essentie van het Griekse probleem. Europa bazelde bij monde van Angela Merkel dat ze een ‘collectieve verwantwoordelijkheid’ voor Griekenland voelde. Maar ze hadden de Grieken alleen kunnen helpen door Papandreou met zijn handen aan de mast te binden. Met andere woorden: ze hadden alleen pas met steun over de brug mogen komen nadat de Grieken pijnlijke hervormingen in gang zouden hebben gezet. Andermaal is aangetoond dat Europa geloofwaardigheid ontbeert om streng op te treden als dat moet.
Het Groei- en Stabiliteitspact is inmiddels een dode letter; vele landen hebben de regels voor begrotingstekort en staatsschuld ongesanctioneerd overtreden. Financiële markten hebben daarom nooit geloofd dat Europa nu opeens streng durft te zijn tegen Griekenland.
Europa had de Grieken daarom direct naar het IMF moeten sturen, ook al wilde Papandreou dat zelf niet. Maar dat is niet gebeurd uit misplaatste Europese trots. Met volstrekt opzichtige bezweringsformules heeft Europa de onrust op de financiële markten proberen te bezweren. Het tegenovergestelde lijkt inmiddels bereikt.
Griekenland heeft nu in arren moede eindelijk moeten aankloppen bij het IMF. Het IMF kan Griekenland helpen om de handen aan de mast te binden door harde voorwaarden aan leningen te verbinden. Het IMF heeft in dat opzicht meer geloofwaardigheid dan Europa.
Laten we hopen dat de Griekse bevolking tot bedaren komt en in gaat zien dat alleen met een harde sanering van de overheidsfinanciën Griekenland een economische ramp bespaard kan worden. En misschien is het goed dat Europa zich wegens een beschamende overdosis aan politiek onvermogen zich maar een tijdje niet actief met de Grieken bemoeit. Laat het over de brug komen met krediet voor Griekenland als het IMF dat nodig vindt, maar voor de rest z’n mond houden. Dus ook geen nationale stemmingen over steun aan Griekenland of niet. Dan begint het hele gezeur weer van voren af aan.
Verdere vergroening belastingen?
Bijna alle politieke patijen willen de belastingen ‘vergroenen’. Dat wil zeggen dat belastingen op milieuvervuilende activiteiten worden verhoogd, zoals energie, brandstoffen, energieslurpende auto’s, enz. Zie bijvoorbeeld de partijprogramma’s van GroenLinks, D66, SP, PvdA en D66.
Ik maak me net als velen zorgen over klimaatverandering. De klimaatverandering door opwarming van de aarde vormt een van de grootste bedreigingen voor het voortbestaan van de planeet. Sir Nicholas Stern publiceerde in 2006 een groot rapport in opdracht van de Britse overheid en hij spreekt daarin van ‘the greatest and widest-ranging market failure ever seen’. De schade van milieuvervuiling is onvoldoende doorberekend in de marktprijzen. Dus warmt de aarde veel te snel op.
Het ligt dan ook voor de hand dat belastingen worden gebruikt om milieuvriendelijk gedrag aan te moedigen, of, in economenjargon, voor het internaliseren van de externe effecten van consumptiegoederen die tot opwarming van de aarde leiden. Denk daarbij aan reductie van de vraag naar fossiele brandstoffen, grijze elektriciteit, vlees en vis, enz. Daarom pleiten veel politieke partijen voor een verschuiving van de belastingdruk van arbeid naar vervuilende consumptie.
Maar is verdere vergroening van de belastingen wel het goede beleid? Ik heb daar een aantal vraagtekens bij. Overigens betekent dit niet dat ik een klimaatscepticus ben.
Milieuheffingen moeten worden ingevoerd om de milieuschade te verwerken in de martktprijzen. De optimale, zogenaamde, pigouviaanse milieuheffing internaliseert exact de maatschappelijke schade in de prijzen van de vervuilende goederen. Dus hoe meer milieuschade, hoe hoger de milieuheffing.
Door velen worden milieuheffingen ook verdedigd met het argument dat milieuheffingen helpen om de schatkist te vullen. Maar de vraag is of met milieuheffingen op de meest efficiënte manier belasting wordt geheven. Een hogere BTW of inkomstenbelasting is een aantrekkelijker instrument om de schatkist te vullen dan een hogere milieubelasting. Milieuheffingen verstoren het arbeidsaanbod namelijk meer dan de belasting op arbeidsinkomen of de BTW.
Door de belastingopbrengst te genereren met heffingen op milieuvervuilende goederen worden verstoringen consumptiegedrag van huishoudens gecreëerd die om milieuredenen gewenst zijn, maar die ook de arbeidsmarkt verstoren. In gewone mensentaal: individuen worden gerpikkeld minder vervuilende en meer schone goederen te consumeren. Maar bij een verstoord consumptiepakket zal het reële netto loon meer dalen bij een hogere milieubelasting dan een hogere inkomstenbelasting of BTW met een identieke belastingopbrengst zou doen. De belasting op arbeid verstoort namelijk de relatieve prijs van vuile goederen in termen van schone goederen niet, waardoor met de beloning van een uur werk uiteindelijk meer goederen gekocht kunnen worden. Vanuit het perspectief van de schatkist is het daarom niet optimaal om milieuheffingen te heffen zolang ook belasting op arbeidsinkomen of BTW geheven kunnen worden.
De optimale milieuheffing hangt daarom alleen af van de vraag of de maatschappelijke schade wel in de marktprijzen is verwerkt, niet of de schatkist daarmee wordt gevuld. Zie ook Jacobs en De Mooij (2010)*.
Hoe hoog moeten de milieuheffingen dan zijn? Stern (2007) schat dat de maatschappelijke externe kosten van CO2-uitstoot tot 85 dollar per ton kunnen oplopen. Stern (2007) presenteert daarmee de hoogst denkbare schattingen uit de literatuur. 85 dollar is circa driemaal hoger dan de meest gangbare schattingen van de schade van CO2-uitstoot, zie ook het literatuuroverzicht in Tol (2008). Overigens ben ik geneigd een relatief groot gewicht toe te kennen aan Stern’s waarde. Fundamentele onzekerheid over toekomstige klimaatontwikkelingen en onomkeerbare klimaatprocessen nopen tot een prudent beleid. Maar zelfs als we aannemen dat een ton CO2-uitstoot 85 dollar kost, dan zijn de huidige ecotaksen voor huishoudens al hoger dan de maatschappelijke schade van hun energieverbruik (gas: 89 euro/ton CO2, elektriciteit: 192 euro/ton CO2, zie Ter Haar, 2010). Voor MKB en zakelijke dienstverleners liggen de tarieven rond Stern’s waarde (gas: 78 euro/ton CO2, elektriciteit: 70 euro/ton CO2, zie Ter Haar, 2010). Er bestaat daarom geen reden om aan te nemen dat huidige energieheffingen op gas en elektriciteit voor huishoudens, MKB en zakelijke dienstverleners verhoogd moeten worden om de maatschappelijke kosten van CO2-uitstoot te internaliseren in de prijzen.
De brandstofaccijnzen op brandstoffen – behalve die voor kerosinel en LPG – liggen ver boven de conservatieve waarde voor de maatschappelijke schade van 85 dollar per ton CO2-uitstoot. Ter Haar (2010) geeft een overzicht van de Nederlandse accijnzen per ton CO2 -uitstoot: diesel 130 euro, rode diesel 80 euro, benzine 250 euro, LPG 40 euro, biodiesel 160 euro, ethanol 460 euro, en kerosine 0 euro. De overheid zou de accijnzen per ton CO2-uitstoot over alle brandstoffen moeten gelijk moeten maken. De lage brandstofaccijnzen op LPG, rode diesel en kerosine kunnen worden opgehoogd om vergelijkbare heffingen te krijgen (per ton CO2) zoals die ook voor diesel en benzine gelden.
De vrijstellingen en kortingen op energieheffingen dienen wat mij betreft te worden geschrapt in de glastuinbouw, luchtvaart en de scheepvaart. Daarnaast kan een hogere accijns op bio-industrieproducten helpen om de grote uitstoot van broeikasgassen in de vleesproducerende industrie af te remmen (zie ook Ter Haar, 2010).
Maar het lijkt erop dat de accijnzen op benzine en diesel vanuit breed welvaartsoogpunt het optimum voorbij zijn geschoten: de opgeofferde materiële welvaart door verminderde consumptie van fossiele brandstoffen kan inmiddels groter zijn dan de milieuwinst van minder brandstofgebruik.
De marginale milieuschade van CO2-uitstoot is niet constant maar zal toenemen naarmate de aarde sterker opwarmt. Daarnaast zullen positieve externe effecten van het ontwikkelen van energiebesparende technologieën en alternatieve energiebronnen toenemen naarmate de fossiele energievoorraden meer uitgeput raken. Daarom moeten milieuheffingen door de tijd heen wel een stijgend pad volgen (zie ook Sinn, 2008; Van der Ploeg en Withagen, 2010). Maar dat betekent niet dat Nederland nu op eigen houtje verder moet gaan met het verder opvoeren van de milieuheffingen.
Eenzijdige maatregelen gericht op het verminderen van de CO2-uitstoot zijn niet zo effectief. Het milieu is een mondiaal collectief goed dat nauwelijks wordt voortgebracht door grote internationale free-rider en coördinatieproblemen, zoals de laatste top in Kopenhagen helaas weer eens heeft aangetoond. Alleen alomvattende, voor alle landen bindende afspraken over milieuheffingen of verhandelbare emissierechten kan de CO2-uitstoot effectief beperken.
Als Nederland (of het Westen) eenzijdig de vraag naar energie probeert af te remmen, zonder dat andere landen of andere delen van de wereld volgen, dan zakt slechts de wereldmarktprijs van energie totdat de wereldvraag naar energie weer gelijk is aan het aanbod van energie (Sinn, 2008). Het effect van vraagremmende maatregelen op de consumptie van energie zorgt er dan slechts voor dat de CO2-uitstoot zich verplaatst, maar niet afneemt.
Nederland moet daarom in internationaal verband streven naar een systeem van verhandelbare emissierechten en/of milieuheffingen. Zonder internationale coördinatie kan Nederland helaas geen zelfstandig milieubeleid voeren. Nederland kan wel unilateraal een CO2-bijdrage leveren door minder aanbod van energie te produceren, door bijvoorbeeld het tempo waarmee de gasvoorraad wordt opgepompt te vertragen of stil te leggen. Maar daar staat tegenover dat de overheid gasinkomsten zal moeten missen.
Ik maak me met vele anderen zorgen over de klimaatverandering. Maar klimaatproblemen kunnen we uiteindelijk alleen internationaal gecoördineerd oplossen via internationale milieuheffingen of verhandelbare emissierechten. Onze milieuheffingen zijn al zo hoog dat de maatschappelijke schade van CO2-uitstoot inmiddels verwerkt is in de marktprijzen. Wel kunnen nog allerlei uitzonderingen worden geschrapt voor bepaalde sectoren of brandstoffen. Het lijkt me onverstandig om in Nederland de belastingen verder te vergroenen als we dit unilateraal doen. Als politieke partijen vergroening van de belastingen alleen maar aangrijpen om de schatkist te vullen, laat ze dan de inkomstenbelasting of de BTW verhogen. Dat is minder schadelijk voor de economie.
*Dit is een simplificatie die alleen opgaat als het arbeidsmarktgedrag van huishoudens niet samenhangt met de consumptie van vervuilende goederen of het aanbod van een beter milieu. Voor geïnteresseerden in deze materie verwijs ik graag naar Jacobs en De Mooij (2010).
Literatuur
Haar, Bernard ter (2010), “Nieuwe Paden voor Vergroening”, Essay Studiecommissie Belastingstelsel, http://www.minfin.nl.
Jacobs, Bas, en Ruud A. de Mooij (201o), “Pigou Meets Mirrlees: On the Irrelevance of Tax Distortions for the Second-Best Pigouvian Tax“, mimeo: Erasmus Universiteit Rotterdam.
Ploeg, Rick van der, en Cees Withagen (2010), “Is there Really a Green Paradox?”, mimeo: Oxford University.
Sinn, Hans-Werner (2008), “Public Policies against Global Warming”, International Tax and Public Finance, 15, (4), 360-394.
Stern, Nicholas H. (2007), The Economics of Climate Change: The Stern Review, Cambridge and New York: Cambridge University Press.
Tol, Richard S.J. (2008), “The Social Cost of Carbon: Trends, Outliers and Catastrophes”, Economics, 2, 2008-25, http://www.economics-ejournal.org.
Verkiezingsprogramma VVD: rondvliegende botte bijlen
De VVD presenteerde vorige week als laatste van de grote partijen hun verkiezingsprogramma. De VVD lijkt haar geluid weer te hebben gevonden. Het is een voor de VVD consistent verhaal geworden: niet te zwaar, vanuit een aanstekelijk optimisme geschreven en onversneden rechts. Het verkiezingsprogramma van de VVD leest daarom, in vergelijking met de gortdroge en langdradige teksten van CDA en PvdA, als een trein. De typografie van het stuk is bombastisch en geheel op z’n Rutte’s doorspekt met hyperbolen. ‘Openbaar vervoer brengt je op een plek waar je niet bent, naar een plek waar je niet wilt zijn’. Het is geen stuk met diepgravende (economische) analyse, maar er wordt gehakt (en er vallen spaanders).
De VVD wil de komende regeerperiode maar liefst 30 mrd bezuinigingen. Dat is een ongekend hoog bedrag. Daarnaast wil ze zo’n 10 mrd aan lastenverlichting geven, waardoor een netto bezuinigingsbedrag resulteert van zo’n 20 mrd euro. Dat is volgens mij veel teveel van het goede en de kans op een dubbele dip in de economie wordt met een dergelijk bezuinigingspakket reëel; de economie kan tot stilstand komen. Ik vraag me ook af of het technisch en fysiek wel mogelijk is zoveel geld bij de overheid weg te halen in vier jaar tijd. En of de VVD het houdbaarheidstekort volledig wegwerkt wordt ook niet duidelijk. Ze zal een eind komen, want het programma staat vol harde maatregelen.
Ik kan me niet voorstellen dat de VVD met haar programma 30 mrd vrijspeelt bij de uitgaven. Hoewel de VVD een flauwe poging doet, zien we ook in het VVD programma weer geen deugdelijke financiële onderbouwing van haar plannen. Zelfs de partij die altijd zegt prat te gaan op haar financiële degelijkheid, meent de kiezer tegemoet te treden zonder harde cijfers.
Hoe dan ook, de bijl wordt gezet in de ontwikkelingssamenwerking, die wordt gehalveerd. Ook wil de VVD op de EU-afdrachten bezuinigen, maar hoe dat kan, wordt niet hard gemaakt. Het zouden niet mijn keuzes zijn geweest, maar dat terzijde. Daarnaast wil de VVD het mes zetten in het openbaar bestuur, net als alle andere partijen, maar onderbouwt ook dit weer niet.
Ook hoopt de VVD, net als het CDA overigens, op loonmatiging in de collectieve sector. Dat de lonen gematigd worden lijkt me verstandig, aangezien die lonen gedurende crisisjaren nog altijd sneller stegen dan de inflatie. Maar de VVD heeft de vakbonden niet aan een touwtje. Bovendien kan loonmatiging alleen tijdelijk, zeg gedurende de komende vier jaar, anders vind je op een gegeven moment niemand meer die in de publieke sector wil werken. De VVD wil ook een sociaal leenstelsel voor het hoger onderwijs.
De VVD wil de in de CBP-sommen ingebakken verhoging van de eigen bijdragen in de zorg maximeren op 300 euro. Dat kost dus geld. Ook wil ze wonen en zorg scheiden in de AWBZ. Lijkt me prima.
De VVD wil de WAjong, Wet Sociale Werkvoorziening met de Bijstand samenvoegen en uitvoering door de gemeenten laten doen. Dit is het overdenken waard, want de gemeenten lijken probleemgevallen massaal in de WAjong te loodsen nu ze financieel verantwoordelijk zijn geworden voor de Bijstand. Wat meer aandacht voor de uitvoering lijkt me wel op zijn plaats, want de sociale dienst is niet overal een schoolvoorbeeld van klantvriendelijkheid en doelmatigheid.
De VVD wil wel dat de AOW-leeftijd naar 67 gaat, niet duidelijk wordt of deze wordt gekoppeld aan de levensverwachting. Ook dat de aanrechtsubsidie wordt afgeschaft. Beide zijn goed te verdedigen op economische gronden.
Daarnaast verkort de VVD de maximale duur van de WW-uitkeringen en versoepelt het ontslagrecht (net als D66). Dat zal met name de arbeidsmarkt voor ouderen beter laten functioneren. Ook wil de VVD snoeien in een aantal niet-effectieve arbeidsmarktsubsidies. Ook allemaal maatregelen die economisch te verdedigen zijn.
De VVD maakt een volstrekt bizarre opmerking dat mensen zich op de markt tegen arbeidsongeschiktheid moeten verzekeren. Waarom hebben we een publieke arbeidsongeschiktheidsverzekering? Omdat de markt tot risicoselectie en uitsluiting leidt, waardoor mensen met een vlekje zich niet kunnen verzekeren…
De VVD neemt ook een aantal onversneden rechtse maatregelen – die zeker niet mijn politieke keus zouden zijn geweest. De zorgtoeslag wordt bevroren. Dit kan tot enorme inkomenseffecten bij de laagst betaalden leiden aangezien de zorgpremies sterk zijn gestegen gedurende de laatste jaren en dat ook in de toekomst zullen blijven doen.
Daarnaast wil de VVD alle uitkeringen behalve de AOW koppelen aan de inflatie in plaats van de loongroei. Dat scheelt zo’n 1,75% koopkracht per jaar voor de uitkeringsgerechtigden. Het verschil tussen de inflatie en de loongroei is de productiviteitsgroei, die door het CPB geraamd wordt op zo’n 1,75 procent per jaar. Daar delen de uitkeringsgerechtigden – behalve de AOW’ers – dus niet langer in mee. Ik mag bovendien hopen dat het CPB niet toestaat dat de VVD over haar graf heen regeert en dit beleid tot aan 2050 inzet; de uitkeringen zullen tegen die tijd in koopkracht zijn gehalveerd ten opzichte van de lonen van werknemers.
(Ik zou het bovendien omgekeerd hebben gedaan: alleen de AOW koppelen aan de prijzen en de arme ouderen ontzien met de ouderenkorting. Dan gaan de welvarende ouderen automatisch bijdragen aan de kosten van de vergrijzing. Maar de VVD wil dat niet, ook gezien haar plannen voor de belastingen, zie beneden.)
De VVD wil ook de huren liberaliseren maar onduidelijk is of ze laagste inkomens volledig wil compenseren. Daarnaast vinden we bij de VVD nog steeds een onbegrijpelijk ‘njet’ op ingrijpen bij de hypotheekrenteaftrek. Sterker, ze wil de subsidies op het eigen woningbezit juist verder vergroten. De VVD wil afschaffing overdrachtsbelasting, terugdraaien van de verhoging van het eigenwoningforfait voor huizen boven 1 mln euro en een wettelijk maximum op de onroerend zaakbelasting. Die laatste twee maatregelen zijn economisch niet te beargumenteren en zijn alleen maar ingegeven door de wens om cadeautjes uit de delen aan het rijkste deel van de bevolking.
Deze belastingmaatregelen zijn bovendien economisch bezien stupide. Dat geldt ook voor de afschaffing van de erfenisbelasting (op termijn) en het terugdraaien van de AOW-fiscalisering (‘Bosbelasting’). Dit zijn belastingen op ‘dood vermogen’. Als je dit vermogen belast, is er nauwelijks schade aan de economie, want erfenissen, huizen en Nederlandse bedrijfstakpensioenen lopen niet weg. De VVD wil dus de economisch minst verstorende belastingen verlagen waardoor de belastingdruk wordt verschoven naar de economisch veel verstorender belastingen op arbeid, besparingen en bedrijfsinvesteringen. De VVD brengt met haar belastingideeën de economie schade toe. In VVD-jargon: de gewone man betaalt het gelag met lagere lonen en hogere werkloosheid.
Bovendien zijn belastingen op huizen, pensioenen en erfenissen buitengewoon effectief om de welvaartsverschillen te verkleinen. Veel effectiever dan een hoger toptarief in de inkomstenbelasting, dat door de VVD terecht wordt afgewezen. Ook corrigeren deze belastingen de scheeflopende verdeling tussen de generaties. Door de kosten van de vergrijzing zal een hoge rekening op het bordje van de jongeren worden gelegd. De VVD frustreert met haar belastingplannen dat de welvarende ouderen ooit nog een bijdrage leveren aan de kosten van de vergrijzing.
Gelukkig wil de VVD wel de levensloopregeling en de doorwerkbonus afschaffen.
Helaas ontbreekt ook bij de belastingen een solide onderbouwing, net als bij de uitgaven. Ik denk dat het goed mogelijk is dat de VVD veel meer dan 10 mrd aan lastenverlichting weggeeft. We zullen zien wat ervan terecht komt bij de CPB-doorrekening.
Een paar dingen die tamelijk inconsequent zijn: de VVD wijst het prijsmechanisme af om de files op te lossen, want ze wil geen kilometerheffing. De VVD wil ook niet af van de staatssteun aan eigen huisbezitters. Sterker, die moeten juist meer subsidie krijgen. Ook vinden we bij de VVD geen pleidooi voor harder mededingingsbeleid, iets wat je van een liberale partij zou mogen verwachten. Ook is hervormingsagenda voor de financiële sector uiterst summier, op het beschamende af. De ellende die de economische crisis heeft veroorzaakt zou juist de VVD als pleitbezorger van het kapitalisme zich moeten aantrekken.
Tot slot, bij het lezen van het VVD verkiezingsprogramma moet ik steeds aan een messenwerper denken in een volgepakt circus. Zo’n messenwerper gooit vervolgens een aantal hakbijlen in de richting van een vrouw die voor een groot bord staat met haar armen en benen gespreid. De messenwerper raakt haar dan precies niet – als het goed gaat. Alleen weet ik niet of dat bij de VVD het geval zou zijn. De bijlen waarmee de VVD gooit zijn bot en ik weet niet hoe goed de VVD kan mikken. Wat de VVD wil doen de komende jaren is macroeconomisch riskant. Bovendien vindt ik de economische onderbouwing van de VVD-plannen niet altijd even sterk. De lage inkomensgroepen zijn bovendien gewaarschuwd; de VVD wil de lasten voor hoge inkomens en zeer vermogenden verlagen en wil dat betalen door de uitkeringen en toeslagen voor laagstbetaalden fors te snoeien.
Waarom we een sociaal leenstelsel moeten hebben
Ik ben al minimaal 10 jaar vurig pleitbezorger van een sociaal leenstelsel: het is de beste manier om tegen de laagste publieke kosten de toegankelijkheid van het hoger onderwijs te garanderen. Zie artikelen uit de ESB en in de Macroeconomische Verkenning van het CPB voor goede overzichten van de argumenten.
Verschillende politieke partijen hebben inmiddels het idee van een sociaal leenstelsel omarmd: VVD, PvdA en D66. GroenLinks wil een academicusbelasting invoeren, wat vergelijkbaar is. Het CDA is vaag over wat ze wil. Ik ben blij dat de Heroverwegingscommissie Hoger Onderwijs in hun rapport ook invoering van een sociaal leenstelsel aanbevelen.
Het toegankelijkheidsprobleem in het hoger onderwijs ontstaat door falen op de kapitaal- en verzekeringsmarkt. Studenten kunnen nu niet tegen toekomstig inkomen lenen voor hun studie. Evenmin kunnen de financiële risico’s van een opleiding worden verzekerd.
De overheid moet dit marktfalen corrigeren door leningen mogelijk te maken en een deel van de inkomensrisico’s te verzekeren via een sociaal leenstelsel. Daarin dragen afgestudeerden een percentage van hun inkomen af voor rente en aflossing. De risico’s van niet-terugbetalen kunnen worden gedeeld onder afgestudeerden via een renteopslag. Ook de overheid kan de aflossingsrisico’s dekken.
Met een sociaal leenstelsel kan iedereen studeren. Leenaversie is geen issue want niemand hoeft bang te zijn voor onoverzienbare aflossingsverplichtingen. De toegankelijkheid kan met minder (of geen) subsidie worden gewaarborgd en ongewenste bijwerkingen van subsidies blijven uit.
Hoge beurzen en lage collegegelden leiden tot instroom van ongeïnteresseerde en lanterfantende studenten. De kosten van drop-outs (meer dan 30 procent in zowel hbo als wo in 2006), lange studieduren (hbo: 4,5 jaar, wo: 6,3 jaar in 2006) en verkeerde studiekeuzes komen voor rekening van de samenleving. Met hogere eigen bijdragen worden studenten geconfronteerd met de financiële consequenties van studiekeuzes en gebrekkige inzet.
Bovendien vergroten subsidies voor het hoger onderwijs op een perverse manier de inkomensverschillen. De gemiddelde inkomens van afgestudeerden zijn hoog. Een wo’er verdient gemiddeld 80 procent meer dan iemand met alleen basisonderwijs, een hbo’er 60 procent. Zie een artikel van mij met Dinand Webbink, waarin we de rendementen op onderwijs schatten.
Het levensinkomen van een gemiddelde afgestudeerde in een fulltimebaan is ongeveer anderhalf miljoen euro. Zie een CPB-studie uit 2002 met allerlei berekeningen. Studenten kunnen hun opleiding uitstekend zelf bekostigen. Afgestudeerden die pech hebben worden bovendien ontzien via inkomensafhankelijke terugbetalingen. Nu betalen niet-gestudeerden met een laag levensinkomen voor gestudeerden met een hoog levensinkomen. Dat is bizar.
Daarenboven komt zo’n 20 procent van de studenten uit de armste helft van de bevolking, en 80 procent uit de rijkste. Zie het SCP met hun studies naar profijt van de overheid. Gechargeerd gesteld: de niet-gestudeerde belastingbetaler draait op voor subsidies aan bierzuipende corpsballen.
Het streven om kinderen uit kwetsbare groepen te laten studeren is terecht. Maar de basisbeurs of het lage collegegeld doen daar helemaal niets aan. Reden: kinderen uit kwetsbare milieus gaan niet studeren omdat ze niet op havo of vwo terechtkomen. De overgang basis-middelbaar onderwijs is de bottleneck, niet de studiefinanciering. Eenmaal op havo/vwo stromen bijna alle leerlingen door naar het hoger onderwijs. Zie ook de kerncijfers van het Ministerie van Onderwijs.
Vaak wordt gesuggereerd dat de scheve inkomenseffecten meevallen omdat afgestudeerden meer belasting betalen. Die suggestie is onterecht. Tijdens de studie mist de overheid belastinginkomsten omdat studenten niet werken en verstrekt aanzienlijke subsidies. De extra belastinginkomsten die afgestudeerden later betalen wegen daar niet tegenop. De reden is dat de overheid de kosten van een onderwijs opleiding (zowel gederfd loon als directe kosten) gemiddeld tegen een hoger tarief subsidieert dan waarmee de toekomstige inkomsten worden belast.
De overheid kan om andere redenen dan toegankelijkheid het onderwijs subsidiëren. De maatschappij zou baat kunnen hebben bij hoger opgeleiden voor innovatie, economische groei, instandhouding van het maatschappelijk en cultureel erfgoed, enzovoorts. Het empirische bewijs ontbreekt alleen dat de maatschappelijke baten opwegen tegen de kosten bij het huidige, riante niveau van onderwijssubsidies. Zie een artikel samen met Rick van der Ploeg.
Publiek geld is niet gratis. Door ongerichte subsidies stijgt de belastingdruk – dat is slecht voor de arbeidsmarkt – en kan er minder worden uitgegeven aan zaken die prioriteit hebben of om de overheidsfinanciën op orde te krijgen.
Laten we hopen dat het CDA weer bij zinnen komt en dat bij de aanstaande regeringsformatie het sociaal leenstelsel wordt ingevoerd.
Nb. Deze blog is een bewerking van een artikel dat ik ooit voor NRC Handelsblad schreef. Namens het CPB heb ik ook berekeningen gemaakt voor een studiecommissie over de studiefinanciering onder leiding van Willem Vermeend. Samen met Sweder van Wijnbergen schreef ik een wetenschappelijk artikel over optimale studiefinanciering.